Tagarchief: genealogie

Het huis op de Lange Mare

Lange Mare 53 001

Lange Mare 53 in Leiden, hoog huis met lichte gevel

De oude Leidse binnenstad telt nog veel panden waarin mijn voorouders ooit woonden. Mijn overgrootvader liet één van de markantste daarvan bouwen op de Lange Mare (nu huisnummer 53, voorheen nummer 25). Het stamt uit 1912 en het staat schuin tegenover de Marekerk. Dit woonhuis valt op door de bijzondere Art Nouveau gevel met geglazuurde stenen.

Overgrootopa Jacobus vd Steen

Jacobus van der Steen

Overgrootvader Jacobus van der Steen (1856 – 1942) is zoon van een timmerman en groeit op aan de Hooglandse Kerkgracht. Hij wordt zelf meubelmaker. In 1885 trouwt Jacobus met Petronella Suzanna Poptie (1858 – 1944). Zij is als meisje opgegroeid in het Heilige Geestweeshuis even verderop aan de overkant. Samen krijgen ze vier volwassen geworden dochters, waaronder mijn oma Maria Catharina van der Steen. Hun enige zoontje overlijdt wanneer het slechts vijf maanden oud is.

Bij wijze van pensioenvoorziening investeert Jacobus in onroerend goed. Hij bezit een pand aan de Rijnsburgersingel (waar later een dochter met haar man gaat wonen), een pand op de Hogewoerd, twee pakhuizen in de Caeciliasteeg direct achter het huis aan de Lange Mare, en een pand op de hoek Papegracht/Langebrug 2. Hierin is zijn winkel en meubelmakerij gevestigd.

20190802_detail glazuurtegels oma's huisIn 1912 wordt het huis aan de Lange Mare opgeleverd en sindsdien prijkt dat jaartal op de gevel. Die gevel is een echte eyecatcher. Meerdere auteurs van architectuurgidsen reppen erover: ‘Hij liet het pand in een late en strakke variant van de Jugendstil optrekken.’ ‘De gevel bestaat uit gebroken-witte geglazuurde stenen afgewisseld door blauwe, turkooizen en roodbruine horizontale banden.’ Die geglazuurde gevel is in ons land vrij zeldzaam.

Na oplevering verhuist het gezin naar de Lange Mare. Deze gracht is een belangrijke winkelstraat en toegangsweg voor mensen van buiten het stadscentrum. Vroeger kwamen ze vanuit het oosten via de Marepoort en ook de boten van de trekvaart naar Haarlem legden in de buurt aan. Op de begane grond heeft Jacobus een toonruimte met biljarten die hij zelf maakt. En hij verkoopt hier kleine meubeltjes, zoals stoven.

Toch wonen ze er maar kort. Want hoe imponerend de gevel ook mag zijn, het pand is zo diep als het breed is. Verdeeld over vier lagen beslaat het slechts 84 vierkante meter. Voor een gezin plus winkelruimte is dit vrij krap. Bovendien moet je er voortdurend trappen lopen en dat vindt overgrootmoeder maar niets. Daarom koopt Jacobus van der Steen een woonhuis op de Apothekersdijk. Hier leven ze met hun dochters op de bovenste etages, terwijl ze de begane grond verhuren.

Vervolgens wordt het pand aan de Lange Mare bewoond ‘door de huurders H. Zwart, sergeant-kok bij de Kweekschool voor Zeevaart en twee ongetrouwde zusters, de dames Rietbergen.’

Maria Catharina van der Steen ca 1950Rond 1919 verhuist hun pasgetrouwde dochter Maria Catharina van der Steen (1894 – 1991) met haar man Johannes Josephus Bredewold naar de Lange Mare. Zij (mijn opa en oma) wonen hier decennialang met hun vijf kinderen. Kort na de oorlog verkrijgt oma dit pand bij de boedelscheiding, samen met de twee pakhuizen in de Caeciliasteeg. Uiteindelijk zullen er vier generaties nakomelingen van Jacobus van der Steen op de Lange Mare wonen.

Persoonlijke herinneringen aan het huis van oma

Het langst van iedereen verblijft oma ‘op de Mare’. In haar tijd zaten de muren vol inbouwkasten en waren de kamers klein. Om de huiskamer te bereiken, liep je door de winkel via een steile trap naar boven. Dan passeerde je mijn opa op een foto aan de wand. Vol ornaat in historisch kostuum zat hij op een paard, klaar voor de 3-oktoberoptocht. Hij liet ook praalwagens meerijden met figuranten, om zo reclame te maken voor zijn zaak.

De woonkamer op de eerste etage heeft een erker en een mooie zwarte schouw. In die ruimte pasten de eettafel met stoelen, een kastje en een paar fauteuils. Overgrootvader maakte als huwelijksgeschenk een compleet ameublement voor elke dochter. Toen oma ouder werd, sliep ze in een opklapbaar bed in de huiskamer. Dan hoefde ze niet verder naar boven te lopen.

In het keukentje naast de woonkamer had oma een theemeubel met mooie kopjes. Een verzameling aardewerk stond op een plank boven het aanrecht uitgestald. Daartegenover waren houten keukenkasten met vitrinedeurtjes. De prachtige Jugendstil-potten ‘Thee’, ‘Suiker’ en ‘Vermicelli’ pronken nu bij mij. Er hing een keramieken koffiemolen aan de muur met glazen opvangbakje. Ah, de geur en het geluid van koffiebonen die worden vermalen …

Daarnaast was het binnenplaatsje met hoge muren en hier bevond zich het toilet. Het was er ’s winters wel steenkoud en er kwam helemaal geen zon. Oma bewaarde haar eten gewoon buiten op het plaatsje. Een koelkast was daar niet nodig. De kinderen werden geboend in de teil of ze bezochten het badhuis in een straat verderop.

Voor de woonkamer is een piepklein portaaltje en daar gaat de trap verder omhoog. Boven bevond zich een slaapkamer en een tweede toilet. (Dat was een grote luxe vroeger.) Aan de straatkant prijkt een piepklein balkonnetje boven de erker. Mijn ooms sliepen nog een etage hoger op zolder. En oma hing daar de was te drogen. 

Lange Mare 53 te Leiden in 2014Tot besluit 

Dit pand op de Lange Mare straalt qua bouwstijl en versiering de smaak uit van mijn overgrootouders. Het is bijna 85 jaar lang in de familie geweest, totdat het in de jaren negentig werd verkocht. Zo’n twintig jaar daarna, in december 2014, ontstond er een werkelijk bizarre samenloop. Want toen werd dit huis door een makelaar aangeboden die gelijktijdig het pand op de Apothekersdijk in de verkoop had. Twee panden van Jacobus van der Steen. 72 jaar na zijn overlijden herenigd op een makelaarswebsite.

Bronnen over het huis Lange Mare 53 (voorheen 25) in Leiden

  • Architectuur & monumentengids Leiden, onder redactie van J. Dröge, E. de Regt en P. Vlaardingerbroek, Primavera Pers Leiden, 1996, ISBN 90-74310-11-7.
  • Krullen, lijnen en zweepslagen. Jugendstil in Leiden, P.A.F. Kotterman, Leids Verleden 3 – Dienst Bouwen en Wonen, Gemeente Leiden.
  • Een bouwtechnische beschrijving staat op Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Baggermannen in de familie

Een opvallend en inmiddels verdwenen beroep is dat van baggerman. Mijn Leidse voorouders Jan van Wijk (1705-1797), Jan Jansz van Toorenvliet junior (1687-1731) en Jan Jansz van Toorenvliet senior (1663-1737) waren als zodanig werkzaam. Staande op een schuit diepten zij met een baggerbeugel de grachten en singels van de stad uit. Deze waterwegen fungeerden als transportkanaal, maar ook als open riool.

De baggermannen vormden een mini-dynastie in een stad vol lakenwerkers. Zo trouwt Jan van Wijk in 1732 met Marijtje van Toorenvliet. Zij is de oudste dochter van Jan Jansz van Toorenvliet junior. Haar vijftien jaar jongere broer Jan van Toorenvliet en een oom zijn eveneens baggerman. Deze mannen werken als collega’s samen.

Elk jaar verleent de stad een vergunning voor het baggeren. Op 25 mei 1769 vermeldt het Gerechtsdagboek van Leiden wat zo’n vergunning inhoudt. Het stadsbestuur geeft toestemming dat een baggerman:

‘… gedurende dese zomer zal mogen doen baggeren te weeten van half meij tot half september van ’s nagts ten Elf uuren tot ’s morgens ten vier uuren, in deezer steede wateren, tot nader ordre van den Fabricq deeser stadt, mits eens s’weeks een schuijt vol baggerende uijt de Voldersgragt aan de deekenvolderije, en dat de vuijlig­heid s’morgens aanstonds buijten deese stad zal moeten werden gebragt, en dat geen schuijten met bagger zullen mogen blijven leggen, ende mits dat de opgebaggerde steenen en planken aan de stadt zullen hebben te leeveren aan stadswinkel.’

Michiel du Pon, Jan van Wijk en Cornelis van Leeuwen zijn in 1769 de gelukkigen. In 1770 doet ook Cornelis Hogeboom mee aan dit nachtwerk. Laatstgenoemde is via zijn huwelijk met Jannetje Toornvliet verwant. Ze kennen elkaar allemaal al jaren.

Een baggerman stond op de voorplecht van een schuit en baggerde met zijn baggerbeugel in het water. Deze bestond uit een lange stok met een ijzeren beugel. Daaraan hing een fijn gevlochten net. Hij wierp de stok met net in het water, schraapte over de bovenlaag van de bodem en haalde de stok langzaam naar zich toe. Zodra de beugel tegen de schuit aan was getrokken, wierp hij in één haal de bagger over de rand in de schuit. Vervolgens werd de smurrie de stad uit gevoerd en daar tot compost verwerkt.

De baggersector was en is een mannenwereld. Toch werden dergelijke vergunningen bij uitzondering ook verleend aan vrouwen. In mei 1753 krijgt de weduwe van Jan Jansz van Toorenvliet senior, Geertje van Poelgeest, toestemming. Of zij dit zware werk zelf verrichtte, is jammer genoeg onbekend.

Lees meer over het wel en wee van deze baggeraarsgezinnen via bovenstaand menu bij Van Wijk, in de documenten over generatie 08 Van Wijk en de generaties 09 en 10 Van Toorenvliet.

De verbeelding van een tijdperk in een album

Ansichtkaartenboek oudtante Nel 082

Sommige verwanten laten bezittingen na die het waard zijn om eeuwig te koesteren. Zo bewaarde mijn oudtante Petronella Suzanna ‘Nel’ van der Steen (generatie 3) ruim zestig jaar een dierbaar album. Daarin verzamelde zij ansichtkaarten. Elke bladzijde bevat voor vier kaarten uitsparingen. Al bladerend trekt er in kleur tien jaar uit haar leven aan onze ogen voorbij. Het album is een uniek document van een vervlogen tijdperk in woord en beeld.

Oudtante Nel kreeg dit album op 21 juli 1908 cadeau voor haar achttiende verjaardag. Het was een ‘souvenir’ van vermoedelijk een bevriend stel. Ze had op dat moment al wat kaarten liggen en in volgende jaren groeide haar verzameling snel.

Het was de belle epoque en de tijd van art nouveau. Stoommachines brachten al decennialang vooruitgang en er verschenen auto’s op straat. Deze periode bood nieuwe mogelijkheden aan ondernemende mensen. Maar vrouwen moesten nog elf jaar wachten voordat ze kiesrecht kregen. Hun carrièrekansen lagen voornamelijk op de huwelijksmarkt.

Jonge, ongetrouwde vrouwen uit de middenklasse, zoals oudtante Nel, woonden bij hun ouders of hadden een dienstbetrekking bij een deftige mevrouw. In het weekend wandelden ze in het plantsoen of bezochten ze een fraaie buitenplaats. Ook maakten ze ritjes met de tram naar het strand. Vervolgens schreven ze naar familie en vriendinnen over hun belevenissen.

Er zitten ansichtkaarten in het album uit plaatsen als Leiden, Aerdenhout, Haarlem, Scheveningen en de duinen bij Schoorl. Maar ook onder meer uit oost-Nederland, zoals van gebouwen en parken in Deventer, Nijmegen en Wageningen. Verder zijn er bostaferelen op de Veluwe, kastelen nabij Arnhem en een boerderijtje in de Achterhoek. Wie geld had, ging toen op al vakantie naar het buitenland, zoals Oostenrijk of Duitsland.

Het album bevat daarnaast veel kaarten van mooi geklede vrouwen en enkele charmante jonge mannen. De dames droegen prachtige jurken met ruisende rokken en een zwierige hoed. Ook zijn er wenskaarten voor een gelukkig nieuwjaar, kaartjes met lieve kindertjes, schattige jonge katjes en veel bloemen. Qua onderwerpen is er eigenlijk weinig verschil met nu. Maar het album ademt de sfeer van honderd jaar geleden en biedt een uniek kijkje in het leven van een jonge vrouw.

Oudtante Nel kreeg rond die tijd verkering met Wim de Bree. Zij maakten in die periode ook de Eerste Wereldoorlog mee. Wim moest in dienst en was elders gestationeerd. Ze schreven elkaar regelmatig en stuurden heel wat ansichtkaarten. Soms staat er niets achterop. Dan was het kaartje gewoon bedoeld voor haar album. Pas na afloop van de oorlog, in 1919, kon het paar trouwen. Rond die tijd stopt oudtante Nel met verzamelen, of voegde ze in het album geen kaarten meer toe.

Ansichtkaartenboek oudtante Nel 119

 

Criminelen uit het familieverleden

Vroeger werd je al snel aangezien voor crimineel. Op prostitutie bijvoorbeeld stond gevangenisstraf. Onze voorouders kenden geen financiële zekerheid. Werden ze ziek, dan vervielen ze in korte tijd tot armoede. Ook kregen ze te maken met oorlogen en andere perioden van onrust. Daarbij waren vrouwen afhankelijk van mannen. Een alleenstaande vrouw deed laagbetaald werk en kon niet zelfstandig rondkomen. Tegelijkertijd werden mensen voor het geringste vergrijp hard gestraft. Een brood stelen leverde een verblijf op in het tuchthuis. En verbanning was normaal.

Mijn voorouderlijke familie telt meerdere Leidse ‘criminelen’. Althans, zo werden ze beschouwd volgens de normen van hun tijd. Nu zouden we met deze mensen medelijden hebben. Ze hadden namelijk vooral pech in het leven. Maar oordeel zelf. ‘De Criminele Vonnisboeken van Leiden’, samengesteld door H.M. van den Heuvel wijzen ons de weg. Voor elk vonnis werden getuigen en/of verdachten ondervraagd. Wat dat oplevert, zijn schrijnende en soms hilarische uit het leven gegrepen verhalen. Hierna volgen korte situatieschetsen van bloedverwanten die veroordeeld zijn.

Zo is daar voormoeder Jacomijntje Brakel. Zij trouwt als weduwe van Dirk Starkenburg met Jan Stouten. Dirk vertrekt in 1771 als soldaat naar Indië, terwijl Jacomijntje achterblijft met een paar kinderen. Tijdens zijn afwezigheid kan ze nauwelijks rondkomen. Daarop begint ze een relatie met een man die haar financieel ondersteunt. Dat is overspel. Maar mogelijk is Jacomijntje eveneens betrokken bij prostitutie. Er lijkt inderdaad meer aan de hand te zijn. Jacomijntje wordt veroordeeld tot zes jaar tucht- of werkhuis in het Gravensteen.
Lees haar verhaal bij de familie Stouten in het pdf-bestand Van Hardy tot Stouten, een familie die haar naam eer aan doet, generatie (06)/07 Stouten vanaf pagina 8.

De volgende crimineel in de familie is Seijtje Stouten. Zij is de vijf jaar oudere zus van de hierboven genoemde Jan Stouten. In hun jeugd gaat het economisch slecht in Leiden en hun vader Denijs Stouten raakt zelfs aan de bedelstaf. Seijtje zal nooit trouwen, maar in 1766 bevalt ze als dienstmeisje wel van een kind. De wijzende vinger gaat naar Coenraad Lonkebeen, een getrouwde man.
Zeven jaar later zit Seijtje gevangen in het Gravensteen en wordt ze ondervraagd door de hoofdofficier van de stad Leiden. ‘Off sij gevange niet moet bekennen ten uijterste strafbaar te sijn over haare gepleegde dieverijie, hoerrerij en ontugtig manier van leeven. Zegt, Ja.’ Want Seijtje is samen met een andere vrouw (Mie Ros) op dievenpad gegaan en heeft een tweede onwettig kind. Haar vriendin leidt eenzelfde door armoede en onrecht gedreven leven. Voor straf wordt Seijtje publiekelijk gegeseld met een roede. Daarna moet ze ruim vier jaar in het tuchthuis werken en tot slot wordt ze verbannen. Maar waar kan ze naartoe?
Lees ook haar verhaal bij de familie Stouten in het pdf-bestand Van Hardy tot Stouten, een familie die haar naam eer aan doet, generatie (07)/08 Stouten vanaf pagina 18.

En dan ontmoeten we bij de volgende generatie Jacobus Stoute en zijn vrouw Anna Maria la Rose. Jacobus is de oudste broer van de hierboven genoemde Denijs Stouten en ook zij groeien in armoede op. Wist Jacobus waaraan hij begon toen hij in 1717 met Anna Maria trouwde? Zij pleegt namelijk bigamie, aangezien ze al met Corstiaan Passchier is getrouwd.
Maar dit is slechts het begin van een vijftien jaar lange geschiedenis. Want ook Jacobus doet in 1721 net alsof hij vrijgezel is, wanneer hij trouwt met Elisabeth Jans van Lent. Pas veel later volgt het volledige verhaal over desertie en bedrog door Jacobus Stoute. En over de omzwervingen van Anna Maria la Rose door Holland, Vlaanderen, Wallonië en Frankrijk langs haar vele mannen. Je zou er zo een roadmovie van kunnen maken.
Lees hun verhaal bij de familie Stouten in het pdf-bestand Van Hardy tot Stouten, een familie die haar naam eer aan doet, generatie (08)/09 Stouten vanaf pagina 29.

We zijn nog niet van de familie Stouten af. Bij de aangetrouwde geslachten komen we weer enkele fraaie portretten tegen. Neem nu generatie 09 Copijn. Dit is een gezin met vier volwassen geworden zonen. In 1749 gaat zoon Jan Copijn in ondertrouw met Anna Moens. Dus mag je verwachten dat zij samen kinderen krijgen. In 1754 bevalt Anna inderdaad van een dochter, maar de vader is … Laurens Copijn. Jan’s vier jaar jongere broer, getrouwd met Anna van Maastrigt. Alsof dit niet genoeg is, krijgt Anna bovendien nog een kind van Claude Copijn, Jan’s 12 jaar oudere broer die getrouwd is met Caatje Maas. En dan hebben zowel Jan als Claude nog twee buitenechtelijke kinderen bij andere vrouwen. Wat een losgeslagen bende!
Vooral met Claude zijn de schepenen van Leiden helemaal klaar. Volgens deze heren is hij ‘eerloos meijneedig, en oncapabel, om ooijt eenig staat offte officie in deezen lande te bedienen’, dus moet hij in 1756 vertrekken ‘voor den tijd van tien Jaaren uijt den Lande van Holland en Westvriesland, zoo wijd en zijt de paalen van dien zijn strekkende, zonder middelerwijle daar weeder binnen te moogen koomen’. Zo.
Lees meer over dit verhaal bij de familie Stouten in het pdf-bestand Fles, Copijn, Siewerse en De Wilde, vanaf pagina 26.

De familie Stouten is wel het beruchtste geslacht onder mijn voorouders. Verder valt het eigenlijk mee. Een keertje overspel bij generatie 08 Chaudron in de Van der Steen-tak. En Jacomijntje Brakel komen we opnieuw tegen bij Van der Steen. Gelukkig betreft dit geen ernstige vergrijpen zoals moord en doodslag. Want agressie kwam natuurlijk evengoed voor.

Daarover kunnen we lezen bij het geslacht Boekooy in het pdf-bestand over de families Vermeij en anderen (generatie 08 Vermeij, vanaf pagina 5). Dochter Geertje Vermeij uit dit gezin trouwt met Jan la Broy. Van deze man wordt in 1760 gezegd dat hij ‘te meermalen preuves gegeven hadde van deszelvs querellensen en violenten imborst’.  Wat hij precies op zijn kerfstok heeft? Dat staat in geuren en kleuren beschreven in de Criminele Vonnisboeken van Leiden.

Naar het Heilige Geestweeshuis in 1875

IMG_3849

Jannetje Boekooy (1826-1875)

Vroeger was het ongetwijfeld een schrikbeeld voor veel kinderen: dat hun ouders zouden overlijden en zij zelf naar het weeshuis zouden moeten. Dit overkwam mijn overgrootmoeder Petronella Susanna Poptie en haar twee jongere broers. Hun vader Willem Frederik Poptie is pas veertig wanneer hij in 1866, waarschijnlijk aan cholera, overlijdt. Negen jaar later sterft ook moeder Jansje Boekooy, pas 49 jaar oud. Daardoor raken een volwassen uitwonende dochter en drie minderjarige kinderen verweesd.

Van de drie jongsten is Petronella is 16 jaar oud, Nicolaas 13 jaar en Antonie 10 jaar oud. Hoogstwaarschijnlijk werkt Petronella dan al. Blijkbaar kunnen andere familieleden niet voor de kinderen zorgen. Want zij gaan naar het weeshuis op 22 juni 1875, twee weken na het overlijden van hun moeder.

Krul weeshuis HKgracht

Raam in het weeshuis

Gelukkig verbetert de zorg voor weeskinderen juist in hun tijd. Voorheen moesten de kinderen kleding dragen waaraan iedereen kon zien dat zij wees waren (rood-zwart) of een verlaten kind (donkergeel). De meisjes genoten nauwelijks onderwijs, terwijl jongens een ambacht leerden. Alle kinderen werden vroeg aan het werk gezet, ook buitenshuis in fabrieken, bij ambachtslieden of particulieren. De zorg was verder slecht. Het weeshuispersoneel was regelmatig dronken en loshandig. En de voedselvoorziening was karig.

Van 1875 is een verslag bewaard over het reilen en zeilen in het weeshuis aan de Hooglandse Kerkgracht. We kunnen lezen wat er verbeterd is qua huisvesting, voeding, kleding. Erg frisse lucht hadden de kinderen tot die tijd namelijk niet in hun groepsslaapkamers:

‘In het gesticht zelve werden allerhande noodige veranderingen aangebracht, op alle kamers en zalen ventilatietoestellen, de privaten [toiletten], die vroeger hunne openingen hadden op de slaapkamers, werden afgesloten en door luchtkokers met de buitenlucht in verband gebracht, de gezelschapskamer van de meisjes werd naar een leegstaand ruimer lokaal overgeplaatst, luchti­ger en vriendelijker dan het vroegere.’

En wat zouden kinderen nu van het volgende menu uit 1875 vinden?

‘De veertien­daagsche voedingslijsten voor zomer en winter kunnen doen zien, welke maaltijden wor­den voorgezet:

  • Maandag, bruine boonen met spek.
  • Dinsdag, boekweite grutten, in karnemelk gekookt, met stroop.
  • Woensdag, groente en aardappelen door elkander met reuzel.
  • Donderdag, groene-erwtensoep met spek.
  • Vrijdag, groente en aardappelen door elkander met reuzel.
  • Zaterdag, gort, in karnemelk gekookt, met stroop.
  • Zondag, soep.
  • Maandag, grauwe erwten met vleesch.
  • Dinsdag, boekweite grutten.
  • Woensdag, groente met aardappelen door elkander met reuzel.
  • Donderdag, groentesoep met vleesch.
  • Vrijdag, groente met aardappelen.
  • Zaterdag, grutten.
  • Zondag, rijst in karnemelk stijf gekookt.’

De kleding wordt eindelijk aan de seizoenen aangepast en wat vaker gewassen.

[De meisjes] vroeger in zwart karsaai, een zware wol­len stof, gedurende winter en zomer uit gedoscht, gaan thans in paars katoen door de week, of in zwart merinos des zondag. Regelmatig worden deze bovenkleederen gewas­schen, hetgeen vroeger slechts hoogst zelden gebeurde. De witte puntdoeken en klapmut­sen, die bronnen van allerlei verkeerde praktijken voor de verpleegden zoowel als voor de suppoosten, zijn verdwenen en hebben plaats gemaakt voor dassen en boordjes en burge­r­meisjes-mutsen. De kleeding van het weesmeisje is meer gelijkvormig geworden aan dat harer zusters uit den burgerstand, baart minder opzien, is gezonder en kost weinig meer dan vroeger.

Evenzoo is het overgeleverde fatsoen der jongenskleeren gewijzigd en in overeenstem­ming ge­bracht met dat der overige burgers, zonder dat daarom de onderscheidings en herkennings­teekenen verdwenen zijn.’

Een hele verbetering dus, maar sindsdien zijn de normen nog flink veranderd.

(Lees meer hierover bij generatie 4 Poptie in het pdf-document Generatie 04 t/m 11 Poptie – Paupetit.)

U wordt oud dankzij de vrouwen

M.C. van der Steen circa 1950

Als uw moeder extreem lang leeft, heeft u zelf ook kans op een hoge leeftijd. Maar dit is geen garantie. Werden de broers en zussen van uw moeder eveneens ouder dan 90? Dan stijgen uw kansen wel. Of iemand oud wordt, is voor 25% erfelijk bepaald, en voor 75% afhankelijk van leefstijl en omgeving. Dit concludeert een groep wetenschappers van het Leids Universitair Medisch Centrum.

Laten we eens een kansberekening maken op basis van mijn voormoeders. Hun bereikte levensjaren geven een wisselend beeld. Vanaf mijn moeder (nu 85 jaar oud en kerngezond) kunnen we in vrouwelijke lijn nog acht generaties terugkijken.

  • (Grootmoeder) Maria Catharina van de Steen: bijna 97.
  • (Overgrootmoeder) Petronella Susanna Poptie: 85.
  • Jansje Boekooy: 49.
  • Petronella Stouten: 72.
  • Jannetje Fles: 81.
  • Neeltje Riethoven: 67.
  • Ermpje Hendriks van Nimwegen: 50.
  • Neeltje IJsbrands de Vos: waarschijnlijk 60+.

Van Neeltje IJsbrands de Vos is onbekend waar en wanneer zij is geboren en overleden. Wel kunnen we haar traceren tot vlak na haar zestigste verjaardag. Zo komen we tot de volgende conclusie over behaalde leefjaren: vier maal 80+, vier maal 80- en een kanshebster op 80+ (of toch 80-?) Hm.

Verder valt vrij goed na te gaan hoe lang hun broers en zussen hebben geleefd. Maar kunnen we de behaalde jaren in voorgaande eeuwen wel vergelijken met behaalde leeftijden in de twintigste eeuw? Misschien was zeventig in de achttiende eeuw het huidige negentig. En wat doen we met cholera-epidemieën, oorlogen of de hogere kindersterfte? Hoe laten we deze factoren meewegen? Want stel dat een jong gestorven broertje onder hygiënischere omstandigheden was geboren. Dan had ook hij negentig kunnen worden.

Er zijn vragen genoeg, maar de gevonden leeftijden bieden perspectief voor een lang leven.

Dankzij Piet Knijnenburg gestuit op goudader

Op 15 juni 2017 stond er een necrologie over oud-TT-coureur Piet Knijnenburg in de Volkskrant. Ik zat meteen op het puntje van mijn stoel. Want wij hadden toch via mijn overgrootmoeder Clasina Knijnenburg motorrijders in de familie? Vroeger reed er weleens een op zijn motor vanuit Wassenaar naar opa en oma Van Veen op de Vrouwenweg, zo werd verteld. Zou dat de overleden man uit het krantenbericht zijn?

Deze Piet Knijnenburg was in 1918 geboren en kwam net als Clasina uit Wassenaar. Op internet stonden meer berichten over zijn dood. Ik nam contact op met journalisten en contactpersonen. Al snel bood bijna-naamgenoot Peter Knijnenburg uit Wassenaar een aanknopingspunt. Hij kon melden wie de ouders van deze coureur waren: Cornelis Josephus Knijnenburg, geboren op 22-03-1876 in Wassenaar, en Clasina Overdevest. Dit paar kreeg tien kinderen, waarvan Piet de jongste was.

Met de namen van deze ouders ging de zoektocht op internet door. Want ik kon Cornelis Jozef Knijnenburg niet direct thuisbrengen. Eigenlijk was ik nog nauwelijks aan de familie Knijnenburg toegekomen. En zo vaak kom ik niet meer in Wassenaar. Hoe mooi zou het zijn om een complete stamboom te vinden, verzuchtte ik menigmaal.

Welnu, zelden ben ik zo goed op mijn wenken bediend. Want Cornelis Jozef Knijnenburg staat keurig vermeld in de stamboom van familie De Kleine. Die leidt regelrecht naar onze gezamenlijke voorouders. Want de bed-bed-overgrootouders van motorcoureur Piet zijn Jacob Dircksz. Konijnenburg (1735-1810) en Crijntje Willemsdr. Beijersbergen van Henegouwen (1738-1812). En daar stamt ook overgrootmoeder Clasina van af. Hoewel de lijn zo ver terug gaat, hebben nakomelingen kennelijk al die tijd contact gehouden.

De familie Knijnenburg en de aangetrouwde geslachten bevolken al eeuwenlang het platteland rond Den Haag. Ze waren vroeger vaak boer en sterk verbonden met het land. Wassenaar is hun hoofdgemeente. Maar ook andere dorpen zijn hen vertrouwd. Zoals: Voorschoten, Veur, Voorburg, Monster, Loosduinen, Wateringen, Eikenduinen en Haagambacht. We kunnen hun sporen zelfs nu nog vinden in het Haagse Zuiderpark.

Onlangs reed ik met bus 45 van Leiden naar Voorburg. Onderweg zag ik al drie nieuw ontdekte familienamen: Hoogwerf, Dobbe en Roosenburch. Over enige tijd verschijnt hier een uitvoerige aanvulling over deze verwanten. Maar de belangrijkste links naar het verhaal over Piet Knijnenburg en onze gezamenlijke voorouders wil ik nu alvast met u delen.