Tagarchief: van Wijk

Baggermannen in de familie

Een opvallend en inmiddels verdwenen beroep is dat van baggerman. Mijn Leidse voorouders Jan van Wijk (1705-1797), Jan Jansz van Toorenvliet junior (1687-1731) en Jan Jansz van Toorenvliet senior (1663-1737) waren als zodanig werkzaam. Staande op een schuit diepten zij met een baggerbeugel de grachten en singels van de stad uit. Deze waterwegen fungeerden als transportkanaal, maar ook als open riool.

De baggermannen vormden een mini-dynastie in een stad vol lakenwerkers. Zo trouwt Jan van Wijk in 1732 met Marijtje van Toorenvliet. Zij is de oudste dochter van Jan Jansz van Toorenvliet junior. Haar vijftien jaar jongere broer Jan van Toorenvliet en een oom zijn eveneens baggerman. Deze mannen werken als collega’s samen.

Elk jaar verleent de stad een vergunning voor het baggeren. Op 25 mei 1769 vermeldt het Gerechtsdagboek van Leiden wat zo’n vergunning inhoudt. Het stadsbestuur geeft toestemming dat een baggerman:

‘… gedurende dese zomer zal mogen doen baggeren te weeten van half meij tot half september van ’s nagts ten Elf uuren tot ’s morgens ten vier uuren, in deezer steede wateren, tot nader ordre van den Fabricq deeser stadt, mits eens s’weeks een schuijt vol baggerende uijt de Voldersgragt aan de deekenvolderije, en dat de vuijlig­heid s’morgens aanstonds buijten deese stad zal moeten werden gebragt, en dat geen schuijten met bagger zullen mogen blijven leggen, ende mits dat de opgebaggerde steenen en planken aan de stadt zullen hebben te leeveren aan stadswinkel.’

Michiel du Pon, Jan van Wijk en Cornelis van Leeuwen zijn in 1769 de gelukkigen. In 1770 doet ook Cornelis Hogeboom mee aan dit nachtwerk. Laatstgenoemde is via zijn huwelijk met Jannetje Toornvliet verwant. Ze kennen elkaar allemaal al jaren.

Een baggerman stond op de voorplecht van een schuit en baggerde met zijn baggerbeugel in het water. Deze bestond uit een lange stok met een ijzeren beugel. Daaraan hing een fijn gevlochten net. Hij wierp de stok met net in het water, schraapte over de bovenlaag van de bodem en haalde de stok langzaam naar zich toe. Zodra de beugel tegen de schuit aan was getrokken, wierp hij in één haal de bagger over de rand in de schuit. Vervolgens werd de smurrie de stad uit gevoerd en daar tot compost verwerkt.

De baggersector was en is een mannenwereld. Toch werden dergelijke vergunningen bij uitzondering ook verleend aan vrouwen. In mei 1753 krijgt de weduwe van Jan Jansz van Toorenvliet senior, Geertje van Poelgeest, toestemming. Of zij dit zware werk zelf verrichtte, is jammer genoeg onbekend.

Lees meer over het wel en wee van deze baggeraarsgezinnen via bovenstaand menu bij Van Wijk, in de documenten over generatie 08 Van Wijk en de generaties 09 en 10 Van Toorenvliet.

Twee voorouders uit Colchester, Engeland

Engelse voorouders zijn een zeldzaamheid in mijn familie. Thomas Janszn Aernaert [van Wijk] en Maertge Salomons de Clerq vormen zo’n paar. Zij zijn in Colchester geboren en maken in hun jeugd de oversteek naar Holland. Daarna duiken ze op in Leiden, waar ze op 3 juli 1623 trouwen. Thomas en Maertge vormen de elfde generatie in de familietak Van Wijk. Maar zijn zij wel echt Engels? En wat was Colchester voor een stad in hun tijd?

Colchester heeft tot op de dag van vandaag een Dutch Quarter. Het was in 1565 en 1574 namelijk een toevluchtsoord voor Vlamingen. Deze mensen waren op de vlucht voor oorlog en ze werden vervolgd om hun protestantse geloof. Met hun modernere vakkennis bliezen ze nieuw leven in de kwakkelende lakenindustrie. Precies zoals hun naar Leiden uitgeweken land- en geloofsgenoten vanaf 1575 ook deden.

Maertge is vrij zeker een dochter van zulke naar Engeland gevluchte Vlamingen (en mogelijk Fransen). Van Thomas is de afkomst lastiger te duiden. Hij en zijn vader Jan Aernaert (wiens naam daar vast anders werd uitgesproken) staan niet op lijsten van bewoners in het Dutch Quarter. De jongensnaam Thomas is populair in Engeland, terwijl die bij Walen en Vlamingen zelden voor komt. Daarom neem ik vooralsnog aan dat zijn wortels echt in Essex liggen.

In 1998 bracht ik een weekend door in Colchester. De oude binnenstad en de glooiende omgeving zijn wel een bezoekje waard. Ik logeerde in het Red Lion Hotel, een historisch gebouw in vakwerkstijl. Compleet met witte muren, donkerbruine balken, glas-in-loodraampjes en vloerbedekking in de badkamer. Én met uitzicht op het Dutch Quarter.

De openbare bibliotheek bewaart er een collectie over de geschiedenis van de stad. Om een idee te geven van het leven in Colchester in de tijd van Thomas en Maertge, volgen hier passages met informatie.

The cloth industry of Colchester. B. Crawley, 1950. Vermelding: J.S. Burn, History of French, Dutch, Walloon and other Foreign Refugees Settled in England, 1846. Pagina 4: ‘There were already sixteen or eighteen Flemish aliens in Colchester in 1551, but the two main waves of settlement were in 1565 and 1574, when some five to seven hundred Dutch came to the town via Sandwich, possibly attracted by the strength of the non conformist church.’

The Cloyes-Dagwell Genealogy, Obetz. Vermoedelijk eigen uitgave, circa 1960.
‘In the 16th century, the Dissolution of the Monasteries greatly affected Colchester’s economics. There was a great recession in the weaving and cloth trade. However, salvation soon came with the great emigration of Protestant refugees (Frenchmen who had fled religious persecution and came to Flanders) who were again forced to leave Flanders, as they would not tolerate the brutality of the Duke of Alva’s Spanish Rule.

The ‘Flemings’, or Deutsch as they were locally referred to, were skilled makers of various types of cloth. Bays and Says, tapestry and brocade. They came to Britain at this critical period, settled in and around Colchester, (and other parts of Britain) where they firmly established their trades and stabilised the economy of the country. By the end of the century the products of the ‘Dutch Bay Hall’ in Colchester ware internationally famous.

Though the Flemings (Dutch and French) were protected by the Corporation and by the Privy Council, these useful settlers – whose industry had brought great wealth and prosperity to Colchester, and whose high moral conduct was worthy of imitation, became greatly annoyed by the conduct of the native British weavers. The British weavers had proffered indictments against the Flemings for fancied wrongs at two Sessions of the Peace.

James I., angry at the actions of the British, granted to the Flemings his Letters Patent, wherein he provided ‘that all strangers of the Dutch (Fleming) Congregation should henceforth peaceably and freely use their trade and enjoy all privileges, liberties and immunities, as had heretofore been allowed them.’

At this period, Colchester had become so populace that not one house remained unoccupied. It can be seen by the Census of 1573 how many of the families had doubled up and lived with relatives or friends. The following Account (Census) taken of the Dutch manufacturers was enumerated at 248, and with their wives, children and servants, numbered 1,023.’

The Flemish and Dutch Community in Colchester in the Sixteenth and Seventeenth Centuries, L.F. Roker. From: Proceedings of the Huguenot Society of London, vol. xxi, no. 1, 1966, pagina’s 15-30.
Over redenen voor animositeit tussen de autochtone bevolking en de Vlamingen (voornamelijk afkomstig uit Ieper, Nieuwkerke en omgeving):
‘The jealousy which appeared later among the local population, was caused partly because these seemingly harmless refugees were seen to have become rival craftsmen tot the local weavers, and, because of their skill, they were probably better craftsmen, consequently prospering. The Dutch did not mix easily with the local people, and, moreover, disapproved of those of their number who did. As an example, when Abraham de Horne married an English women, apparently the first of Dutch congregation in Colchester to do so, his fellow-countrymen it was said, could scarce be prevented from disowning or turning him out of their congregations.’

Geleidelijk werd de sfeer onaangenamer. Daarom besloot een deel van de Vlamingen om verder te trekken. Leiden stond bekend als een goed alternatief waar ze hun beroep zo konden oppakken. En misschien waren Thomas en Maertge wel zo’n verfoeid paar van gemixte komaf: ‘A good English bloke and one of these darn Flemish girls.’

Overige relevante literatuur in de openbare bibliotheek van Colchester.

  • Register of Baptisms in the Dutch Church at Colchester from 1545-1728, W.J.C. Moens, Huguenot Society of London, Q.S. xii. Boek met namenlijsten, uitgave 1905.
    In de index komen geen Salomon de Clerk, Rachel van der Walle, Cathalina Caerls of andere voorvaders of -moeders voor. Op pagina 106 staat een zekere John [Annoate, Annoot, Annot, or Annote].
  • The Victoria History of the county of Essex, vol. IX, Oxford Press, 1994.
    In the 1570s population of Colchester c. 4600, including 431 Dutch immigrants.
    In the 1620s population of Colchester c. 11000 including 1535 Dutch immigrants.
    Outbreaks of epidemic disease in (o.a.) 1569-70, 1586-7, 1597, 1603-4.
    77, table (deel) Occuptional structure 1580-1619 in Colchester.
    Textiles aantal 104, 26.4%, Clothing aantal 49, 12.4%, Food and drink aantal 52, 13.2%, Transport aantal 45, 11.4%, Housing aantal 18, 4.6% and Service aantal 27, 6.9%.
  • Guide to Colchester’s Dutch Quarter, Brian Bird. Geschiedbeschrijving vanaf het begin tot 1998 met een pagina tekst over de Vlamingen.

De vermissing van Johannes Poptie

Longread – Johannes Poptie, levensverhaal en zoektocht na zijn verdwijning

‘In de negentiende eeuw reisde je overgrootvader uit de Poptie-familie van Leiden via Wassenaar naar Den Haag. Een broer of oom ging mee. Hij wilde op de markt in Den Haag handelswaar verkopen, vermoedelijk lakense stof van wol. Maar hij keerde nooit meer terug.’
Mijn oma Maria Catharina van der Steen vertelde dit korte relaas aan mijn moeder. En zij vertelde het weer aan mij.

Wie weleens keek naar het tv-programma Vermist, weet hoe aangrijpend de verdwijning van een familielid voor achterblijvers is. Deze raadselachtige vermissing liet ook mij niet meer los. Waarom bleef die overgrootvader van mijn moeder weg? Was hij misschien op de terugweg beroofd en vermoord? Zijn vrouw en kinderen kwamen nooit meer te weten wat er was gebeurd. Daarom begon ik honderdvijftig jaar later aan de zoektocht naar mijn voorouders. Alleen archieven konden nog een antwoord bieden. Lees verder

De pest halveert gezinnen Sonnevelt en Oliviers

Anno 2016 kunnen wij ons moeilijk voorstellen hoe rampzalig de pest vroeger was. Mijn Leidse voorouders hebben diverse epidemieën doorstaan. De ziekte bracht dood en verderf in de stad tijdens het beleg van 1574, in 1601, 1604, 1624, 1635, 1655 en 1666. Tijdens de epidemie van 1624-1625 stierven bijna 10.000 mensen en in 1635 bijna 15.000. In 1622 telde Leiden nog 45.000 inwoners. Bijna een derde van de bevolking werd weggevaagd. Pas eeuwen later werd bekend waardoor: bacteriën in rattenvlooien.

Hogewoerd LeidenDe pest treft enkele gezinnen in de familietak van Van Wijk zeer zwaar. Neem Barent Jansz van Sonnevelt en Grietje Jorisdr Focker (generatie 12). Hij is in 1635 bakker en woont met zijn gezin in het ’t Vergulde Lam op de hoek van de Hogewoerd. In zijn zaak ligt natuurlijk een voorraad graan. Dat trekt ratten uit de nabijgelegen grachten aan.
Gealarmeerd door wat zij om zich heen zien, laten ze op 12 oktober 1635 de notaris aan huis komen. Op dat moment zijn ze nog ‘beijde gesont van lichame, gaende en staende, haer verstant wel machtig’. Slechts twee weken later is Grietje dood. Binnen een maand daarna sterven vader Barent en de zoontjes Joris en Jan. Een half gezin is weggevaagd.

Ook de familie Robijn ontsnapt in 1635 niet aan de ziekte. Franchoys Robijn (generatie 12) woont met zijn vrouw Maeijken van der Linde in de Raamsteeg, niet ver van de Hogewoerd.
Ze zijn vier jaar eerder getrouwd en hebben twee kleine kinderen. Franchoys sterft medio oktober; zijn eenjarige zoontje twee weken daarna. Mogelijk heeft Franchoys’ moeder Jaecquemijntje onbedoeld de dodelijke vlooien overgebracht. Jaecquemijntje van de Walle is in 1635 weduwe en overlijdt eind september namelijk als eerste familielid.

De grootste slachting richt een eerdere pestepidemie aan in het gezin van Caerl Oliviers en Tabitha de Bels (generatie 13). Deze Vlamingen hadden vast op een betere toekomst in Leiden gehoopt. Zij wonen in 1624 op de Achtergracht (nu: Catharinaveststeeg) wanneer het noodlot toeslaat. Tabitha, ongeveer 50 jaar oud, en vier kinderen sterven. Ook nu gebeurt dat binnen het tijdbestek van slechts een maand. Het leed was eigenlijk niet te bevatten, maar het leven ging door. In januari 1625, vier maanden later, staat Caerl alweer met een weduwe voor het altaar.

 

Binnenvader van het Leidse Minnehuis

Minnehuis KaarsemakerstraatTerwijl een middelbare leeftijd nu nadelig is bij sollicitaties, kon dat vroeger juist een voorwaarde zijn voor een baan. Zoals in het geval van mijn voorouders Dirk van Wijk en Grietje Dee. Zij worden in 1826 benoemd tot binnenvader en –moeder van het gereformeerde Minnehuis in Leiden. Daarvoor verhuizen zij naar het pand in de Kaarsemakerstraat. Dirk is in feite uitvoerend directeur en zijn vrouw assisteert hem. Het bestuur dicteert nauwgezet alle regels voor de werknemers en inwoners van ‘het gesticht’. Die inwoners zijn armlastige oude lieden, maar ook enkele daklozen en wezen of minnekinderen.

Hun plekje bestaat uit een bed op een zaal. Bij binnenkomst mogen ze geen eigen meubels inbrengen en hun kleding en schoeisel (klompen) moeten schoon zijn. De vader en moeder zien erop toe dat men er steeds ‘ordelijk en zindelijk’ bijloopt en zich keurig gedraagt. Eten gebeurt gezamenlijk op voorgeschreven tijden.
De oudjes werken nog zolang zij kunnen. Wekelijks dragen zij 25 cent tot een gulden af van hun bescheiden loon. Behalve sommigen in de winter, die dan tijdelijk geen werk hebben. Voor familiebezoek moeten zij speciaal toestemming vragen. Op zondag maakt Dirk als binnenvader met de bewoners een verplicht uitstapje naar de kerk. En ‘s avonds sluit hij de poort, waarna hij ter controle de namen van alle bewoners afroept.

Niet elke bejaarde verdroeg dergelijke betutteling, dus waren er notoire weglopers. Anderen zochten troost in alcohol. Dat blijkt uit de notulen van het bestuur. ‘Abraham van der Meer, door den Heer Burgemeester geplaatst, den 2 november l.l. tijdens zijn huis arrest, door het springen uit een raam dit gesticht ontvlugt zijnde: is besloten hem voortaan niet meer in te nemen.’ De arme man was waarschijnlijk al eerder bestraft met een blok aan het been. Desnoods zette men iemand ‘in de prison’ van het gesticht.

Volgens de notulen vraagt de burgemeester ook weleens om een ‘vrouwelijk cadaver ten nutten van het onderwijs het welk door de heer Lector aan de Stads Vroedvrouwen gegeven word’. Het hoort allemaal bij het leven van een negentiende-eeuwse bejaarde.

Dit is slechts een klein fragment uit de enerverende geschiedenis van de Leidse familie Van Wijk. Veel meer valt te lezen op de familiepagina Van Wijk. De eerste bestanden over dit interessante geslacht kunt u daar nu al downloaden.

Het begin

Pieternella Susanna Poptie

Pieternella Suzanna Poptie

Jaren geleden vertelde mijn oma over een van haar voorvaders. Een zekere Poptie trok met handelswaar van Leiden naar Den Haag. Daarna werd er niets meer van hem vernomen. Wat er gebeurd was, bleef een grote vraag.

In 1995 ging ik zelf op reis. Naar Polynesië, een paradijselijk eilandenrijk in de Stille-Zuidzee. Het werd een maandenlange vakantie. Ik was benieuwd naar het leven van de plaatselijke bevolking.
En voorouderverering is daar van belang. Op diverse eilanden begraaft men overleden familieleden gewoon in de voortuin. Zodat opa en oma altijd in de buurt zijn.

Mijn eigen opa’s en oma’s waren inmiddels overleden. Door die reis werd ik steeds nieuwsgieriger naar mijn eigen verleden. Wie waren mijn voorouders aan vaders- en moederskant? Ik bezocht eerst maar eens het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag. Met aantekeningen van feiten en raadsels waar mijn vader en moeder over hadden verteld.

Daar in de studiezaal gebeurde wat menig genealoog zal herkennen. Ik stuitte op een goudader. Als een kind in een snoepwinkel zocht ik verder en vond het ene na het andere verhaal. Zes jaar later was ik honderden voorouders rijker.

Over mijn uitgebreide genealogische onderzoek heb ik eerder al gepubliceerd (zie pagina Publicaties). Op deze website wil ik de boeiende verhalen naar voren halen. Belevenissen van voorouders publiceer ik in blogs op deze website.  Ter referentie voeg ik per familietak een namenindex toe. De eerste documenten over de familie Van Veen staan hierboven.

Wilt u dit familiespoor ook volgen en nieuwe berichten via e-mail ontvangen? Dat kan via het icoontje ‘volg’ hier rechts boven.