Tagarchief: familiegeschiedenis

We hadden als Brenninkmeijer kunnen zijn

Vorige week schreef Peter de Waard in de Volkskrant een terugblik op het leven van oud-C&A-topman Godfried Fransz Brenninkmeijer. ‘De Brenninkmeijers worden met een vermogen van 22 miljard euro gezien als een van de rijkste families ter wereld.’ Dit geslacht past in het rijtje: Dreesmann, Lampe, Peek, Cloppenburg, Kreymborg en Reinke. De Reinkes werden iets minder bekend, maar behoren tot mijn familie.

Meerdere mannen uit deze geslachten reisden in de negentiende eeuw als ‘textielteuten’ of ‘kiepkerels’ vanuit Westfalen door Nederland. Het waren rondreizende marskramers met manden vol linnen en passementen op de rug. Ze openden na enige tijd winkels in diverse plaatsen. Volgens De Waard voelden veel katholieke handelaren uit Westfalen zich bedreigd door de Pruisische protestanten.

Betovergrootvader Johan Bernard Joachim Andreas Reinke (‘Andreas’) is in 1807 geboren te Riesenbeck nabij Ibbenbüren. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader Johann Bernard Reinke. Vader en zoon pendelen namelijk regelmatig tussen verwanten in Westfalen en de Randstad. Johann Bernard overlijdt in 1819 tijdens een logeerpartij bij oom Gerrit op de Leidse Botermarkt.

Hoogstraat 4 LeidenAndreas koopt in 1844 het fraaie pand Hoogstraat 4 op een zeer strategische locatie in Leiden voor de lieve duit van ƒ 6.000. De notaris omschrijft het als volgt: Een hecht sterk en weldoortimmerd Heerenhuis en erve, sedert weinige jaren vertimmerd, voorzien van een voorhuis, gestucadoord en met marmere steenen bevloerd, voorts van diverse boven en benedenkamers meest alle behangen en met gestukadoorde zolderingen en schoor­steenen, waaronder drie met marmeren mantels, provisie- en dienstboden­kamers, keuken met regen- en putwaterspomp, groote overwulfde kelder, bergplaats voor turf en luchtige kleeder­zolder, staande en gelegen binnen deze stad aan de Hoogstraat, een uitgestrekt uitzigt hebbende over en langs den Nieuwen Rijn.’

Samen met zijn Leidse vrouw Maria Theresia Huybers drijft hij daar zijn handel. Met advertenties in het Leidsch Dagblad prijst Andreas hun waren aan: ‘Door voordeeligen inkoop van eene groote partij lakens en buxkings in alle kleuren en kwaliteiten in staat gesteld worden deze tot buitengewone lage prijzen verkocht. A. Reinke, Hoogstraat, wijk 7, no 4.’ (02-03-1868)

In hun tijd heeft het pand twee schoorstenen met puntige kappen en een windvaantje. De zolder en twee bovenste verdiepingen zijn in gebruik als woonruimte. Waarschijnlijk verblijven er tegelijk twee dienstbodes en een winkel­bediende, plus één of twee studenten. Vlak onder de dakgoot hangt een bord met de tekst ‘A. Reinke, bedden, dekens, matrassen, manufacturen’. Op de begane grond zit de winkel en op de stoep geëtaleerde waren. Die stoep is met een zonnescherm overdekt en met twee stenen paaltjes en een ijzeren hekje aan de zijkanten afgezet. Op straat rijden karren over grijze kinderkopjes rammelend voorbij. De tot aan de kade doorlopende kelder fungeert als magazijn en wordt met boten vanaf het water bevoorraad.

Vraag niet waar het geld is gebleven. Maar met dezelfde handelsgeest worden er nog altijd goede zaken gedaan. Nu zitten Annie’s en Peppermint samen in het pand.

Belastingpachter in 1595

Gerrit Jorisz Focker, een oudere broer van mijn voormoeder Grietgen, oefent een verdwenen beroep uit. Hij is rond 1569 geboren in Leiden en wordt eerst schoenmaker. Maar met het pachten van belastingen kan hij beter verdienen. Zijn vader Joris en broer Anthonis gaan hem daarin voor. Stadsbesturen en de Staten van Holland en West-Friesland laten in die tijd het innen van belastingen over aan particulieren. Burgers bieden op het recht dat te mogen doen. Bijvoorbeeld de impost of accijns op het bier in Zoeterwoude in het jaar 1595. Ze betalen daarvoor een flinke som in de hoop winst te behalen. En dat lukt best aardig. Veel pachters vragen meer belasting van mensen, dan zij eigenlijk mogen doen. Daarom waren er regelmatig volksoproeren.

Gerrit is zo’n pachter die in 1599 zelf zijn belas­tingtarief bepaalt op het slachten in Leiderdorp. Hij spreekt dan met Govert Gerritszn, huidenkoper, een bedrag van 32 stuivers per beest af. Vijftien jaar later is Gerrit pachter van ‘het bestiaal’ in Oegstgeest. Eerst moet men bepalen hoeveel impost ‘Machtelt ende Annetge Pieterdochters’ moeten betalen over het ‘te doen slachten zeecker vercken’. Daartoe stellen twee buren in opdracht van Gerrit vast wat het dier waard is. Door een inschattingsfout ontstaat er geharrewar over een verschil van ƒ 1,50. En dat heeft gevolgen voor de impost. Dit is bekend, omdat een notaris alles schriftelijk vastlegt.

Het vlees van slachtvee wordt gezouten en in tonnen gelegd. Zout is een belangrijk conserveringsmiddel, dus heft men ook daar apart belasting op. Dit is vergelijkbaar met de BTW nu. Periodiek int men voor ‘het Gemene Land’ eveneens geld op vermogen, zoals de 200ste penning.

De soorten impost zeggen veel over de goederen van toen. Zoals: turf, kaarsvet, bier, zout, paarden, slachtvee, en zeep. Turf was brandstof voor verwarming en om op te koken. Kaarsvet was een bron van licht. En het bier met een laag alcoholpercentage gold als volksdrank, want weinig stedelingen hadden schoon drinkwater. Verder werd steeds apart geld geïnd voor het onderhoud van dijken, de bemaling van nieuw ontgonnen gebieden, het graven van kanalen of de uitbreiding van de stad. Boetes kon je trouwens voldoen in aantallen bakstenen voor de stadsmuur.

Zelfs het innen van boetes in Leiden en het ‘quartier van Rijnlant’ wordt verpacht. Daarbij is het handig dat Gerrit als ‘Adelborst Musquettiers’ met een wapen overweg kan. Wanneer in 1598 een turfschipper dwarsligt, laat hij diens schip aan de ketting leggen om hem tot betaling te dwingen. En als hij het niet alleen afkan, haalt Gerrit er een deurwaarder en de schout bij. Zo ook in januari 1614, wanneer iemand beweert weinig bier in huis te hebben. De heren forceren ter controle ‘de kelder deur gemeerct mitte Roos’. Daarachter treffen ze een grotere hoeveelheid heerlijk vers gerstenat aan en laten zich dat ter plekke goed smaken.

Tja, de mannelijke Fockers waren onversaagd en allen schutter. Ik weet niet of Gerrit op een agressieve belastingontduiker is gestuit. Wel ontbiedt hij rond zijn 45ste ‘s avonds om 23.00 uur een notaris, die zijn testament opstelt. Gerrit ligt dan ziek op bed. Kennelijk is hij toch bij zijn leest gebleven, want twee schoenmakers zijn daarbij present. Waaronder Lambrecht Thomasz van Swieten, zijn vriend voor het leven. Gerrit sterft een maand later.

(Bron afbeelding: Erfgoed Leiden en Omstreken, aquarel van J.E. Kikkert, eind 19de eeuw, g

Joris Anthonisz Focker, wanted dead or alive

De Leidse schoenmaker, schutter, steenbakker, belastingpachter, huisjesmelker en projectontwikkelaar Anthonis Joriszn Focker leidde een zeer energiek bestaan. Daardoor zou je bijna vergeten dat de Tachtigjarige Oorlog gaande was en hij een gezinsleven had. Hij en Emmetje Jans van Woerden krijgen na hun huwelijk in 1583 minimaal een zoon en twee dochters (Joris, Maritgen en Grietgen). Ik zal er geen doekjes om winden; Anthonis is vast geen lieverdje. En die zoon van hem heeft waarschijnlijk een aardje naar zijn vaartje. Lees verder

Opa als watergeus tijdens Leidens Ontzet

watergeuzen 3 oktober

Opa Bredewold is de tweede persoon rechts.

Johannes Josephus Bredewold (1889 – 1951) is de vader van mijn moeder. Deze opa heb ik nooit gekend, want hij was al voor mijn geboorte overleden. Tijdens Leidens Ontzet deed hij als figurant mee aan de grote optocht. Er is een portret waarop hij in vol ornaat gekleed zit op een paard. Als kind vond ik die foto zeer fascinerend. Hij hing aan de muur bij de trap naar de woonkamer van oma, in het huis aan de Lange Mare.

Opa Bredewold had een winkel en als ondernemer maakte hij tijdens optochten reclame. Zoals nu nog gebruikelijk is. Hij heeft ook eens een praalwagen gefinancierd. Verder staat hij als geus verkleed op een schuit vol feestvierders. Bij mijn weten is die foto eveneens genomen op 3 oktober. Vermoedelijk werd de bevrijding door de watergeuzen toen nagespeeld.

Van nog eerder stamt een foto uit zijn militaire-diensttijd rond 1918. Hij poseert samen met andere soldaten in uniform voor het hek bij de Leidse burcht. Op al deze foto’s zie je een lange, slanke, vrij serieus ogende man. Al kon hij een behoorlijke grappenmaker zijn.

Met zijn deelname aan het 3-oktoberfeest presenteert hij zich als een rasechte Leidenaar. Maar feitelijk komen zijn voorvaderen en een deel van zijn moeders familie uit het oosten. Een ander deel van de vrouwelijke lijn bevat echter wel typisch Leidse geslachten. Zij vertrokken eeuwen geleden uit Noord-Frankrijk en werkten van generatie op generatie in de Leidse lakenindustrie.

Gezichten bij een trouwakte

Op 24 februari 1916 trouwden mijn opa en oma Leonardus van Veen en Cornelia Kortekaas in het Zuid-Hollandse dorpje Voorhout. Volgens traditie doen ze dit in de plaats waar de bruid was geboren en getogen. Ik vond hun trouwakte zo’n dertig jaar geleden, maar foto’s van het feest ontbraken. Hun akte kreeg volgnummer 3 in het trouwregister. Dat geeft wel aan hoe klein Voorhout toen nog was.

Voor de 28-jarige Leonardus is dit al het tweede huwelijk. Krap vier jaar eerder trouwde hij in Den Haag met Elisabeth Hendrina van Brandenburg. Volgens overlevering stierf zij kort na de geboorte van hun eerste kind. Ook dat kindje, een zoontje, overleed vrij snel daarna. Mogelijk ging het mis bij de bevalling. Of zijn moeder en kind aan tuberculose overleden? Niemand weet het nog zeker.

Mijn vader vertelde dat opa en oma elkaar kennen leerden toen zij bij hem en het zoontje in huis kwam werken. Gisteren kreeg ik voor het eerst hun huwelijksfoto onder ogen. Hij zit in een donkerbruine lijst achter glas en is op een stukje stof geplakt. Achterop heeft iemand ‘24 februari 1916’ geschreven. Ongetwijfeld hopend op een beter begin en een langer leven.

Leonardus van Veen en Cornelia Kortekaas(Met dank aan tante Trees voor het uitlenen van deze foto.)

Verrassing: oude familiefoto’s

Het is mager gesteld met oude foto’s binnen de families Van Veen en Kortekaas. Eigenlijk zoek ik daar al jaren naar. Dus was de verrassing groot toen mijn neef Hans onlangs diverse kiekjes stuurde. Ze werpen nieuw licht op ons verleden.

Alleen, wie zouden er op die foto’s staan? Mijn vader en ik zijn er nog niet uit. Als iemand het weet, horen wij het graag. (Klik op de foto’s om een vergroting te zien.)

familie KortekaasFoto met vijf kleine kinderen. Volgens mijn vader heeft het meisje in het midden een gezicht van de familie Kortekaas.

Foto van jonge vrouw. Ik vermoed dat zij een zus is van opa Van Veen: namelijk Cornelia of Anna (Johanna Maria).Cornelia of Johanna Maria van Veen

Foto van het echtpaar. Mijn vader ziet bij de man gelaatstrekken van de familie Kortekaas. Onbekend is wie de vrouw is. Mogelijk gaat het om de vader van oma (Leonardus Kortekaas) met zijn eerste vrouw Maria Hartveld of zijn tweede vrouw Keetje Mooijekind.Leonardus Kortekaas, Maria Hartveld of Keetje Mooijekind

In elk geval zijn zij niet de ouders van opa Van Veen. Oom Henk en opa leken op overgrootvader. Hij was een beetje klein en tenger, zeker vergeleken bij zijn vrouw. Clasina Knijnenburg had een wat ‘boers’, rond gezicht en was groter dan hij. Clasina droeg eveneens een kanten kapje. Er is een trouwfoto van dit echtpaar waarop zij een hoge hoed draagt. Die hing ooit boven een klok. Weet iemand waar die foto is?

Natuurlijk zijn meer digitale foto’s van de oudere generaties welkom. Ik plaats ze hier graag, zodat ze voor alle verwanten zichtbaar zijn.

PS: Naar aanleiding van deze foto’s heb ik weer onderzoek verricht. Dat leverde nieuwe informatie op. De gegevens over generatie 3 Van Veen heb ik aangevuld met de trouwakte van Johanna Maria, de overlijdensakte van Cornelia en data uit bevolkingsregisters.

Bron originele foto’s: Hans van Veen.

Catharina van Toulon

Sommige voorouders spreken zeer tot de verbeelding. Voor mij is Catharina van Toulon zo iemand. Als telg uit een voornaam protestants geslacht in Dordrecht trouwt zij in 1762 met Jacobus van Veen. Haar vader is ‘ontvanger van de convooien en licenten’, ofwel belastingontvanger. Opa Van Toulon is ‘commis ter recherche bij de Admiraliteit op de Maas te Rotterdam’. Bovendien zijn haar opa van moederszijde en oom van vaderszijde beiden predikant. Jacobus van Veen is echter katholiek. Binnen haar protestantse familie met godsdienaren moet die keuze voor hem streng zijn veroordeeld.

Catharina’s vader overleed toen zij tien jaar was. Kort na haar 25ste begint zij aan ‘een jaar belijdenis van de Roomsche Religie’. Zij is dan oud genoeg om zonder toestemming van haar moeder of voogd te trouwen. Na afloop van dat jaar staat niets het huwelijk met Jacobus nog in de weg. Maar Catharina tekent kennelijk voor verstoting door haar bloedverwanten.

Huwelijk Jacobus van Veen en Catharina van Toulon 1762

Jacobus van Veen en Catharina van Toulon, Delft 1762

Ik neem aan dat zij behoorlijk eigenzinnig was. Toch weet ik vrijwel niets over haar. Bij genealogisch onderzoek vind je soms informatie waardoor je je een bepaalde voorstelling van iemand maakt. Ontdek je daarna gegevens die in een andere richting wijzen, dan blijk je er toch naast te zitten. Dat is mij herhaaldelijk overkomen.

Regelmatig ontmoet ik mensen die over hun leven vertellen. Stel dat ik Jacobus en Catharina zou kunnen spreken, dan zou ik ze het hemd van het lijf vragen.

Want hoe en waar hebben jullie elkaar ontmoet? Hoe verliep jullie verkeringstijd en wat vonden jullie aantrekkelijk aan elkaar? Hoe reageerden jullie vrienden en verwanten? En toen jullie op het matje werden geroepen door geloofsgenoten, hoe reageerden jullie daarop? Vonden jullie steun bij elkaar?

Catharina, hoe is het laatste contact met jouw familie verlopen? Ben je ooit nog in Dordrecht terug geweest? En waar woonden jullie precies in Voorburg? Bij de doop van al jullie kinderen zijn steeds twee familieleden van Jacobus aanwezig. Welke rol hebben die twee in jullie verdere leven gespeeld?

Jullie leefden rond 1800 in een woelige politieke periode en maakten de economische teruggang mee. Wat waren de gevolgen daarvan op jullie persoonlijke situatie? En welke invloed hebben jullie levenservaringen op de opvoeding van de kinderen gehad?

Toen jullie aan het eind van jullie leven kwamen: hoe keken jullie daar op terug? Waar waren jullie trots op en blij mee? En wat zouden jullie anders hebben gedaan?

Het begin

Pieternella Susanna Poptie

Pieternella Suzanna Poptie

Jaren geleden vertelde mijn oma over een van haar voorvaders. Een zekere Poptie trok met handelswaar van Leiden naar Den Haag. Daarna werd er niets meer van hem vernomen. Wat er gebeurd was, bleef een grote vraag.

In 1995 ging ik zelf op reis. Naar Polynesië, een paradijselijk eilandenrijk in de Stille-Zuidzee. Het werd een maandenlange vakantie. Ik was benieuwd naar het leven van de plaatselijke bevolking.
En voorouderverering is daar van belang. Op diverse eilanden begraaft men overleden familieleden gewoon in de voortuin. Zodat opa en oma altijd in de buurt zijn.

Mijn eigen opa’s en oma’s waren inmiddels overleden. Door die reis werd ik steeds nieuwsgieriger naar mijn eigen verleden. Wie waren mijn voorouders aan vaders- en moederskant? Ik bezocht eerst maar eens het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag. Met aantekeningen van feiten en raadsels waar mijn vader en moeder over hadden verteld.

Daar in de studiezaal gebeurde wat menig genealoog zal herkennen. Ik stuitte op een goudader. Als een kind in een snoepwinkel zocht ik verder en vond het ene na het andere verhaal. Zes jaar later was ik honderden voorouders rijker.

Over mijn uitgebreide genealogische onderzoek heb ik eerder al gepubliceerd (zie pagina Publicaties). Op deze website wil ik de boeiende verhalen naar voren halen. Belevenissen van voorouders publiceer ik in blogs op deze website.  Ter referentie voeg ik per familietak een namenindex toe. De eerste documenten over de familie Van Veen staan hierboven.

Wilt u dit familiespoor ook volgen en nieuwe berichten via e-mail ontvangen? Dat kan via het icoontje ‘volg’ hier rechts boven.