De pest halveert gezinnen Sonnevelt en Oliviers

Anno 2016 kunnen wij ons moeilijk voorstellen hoe rampzalig de pest vroeger was. Mijn Leidse voorouders hebben diverse epidemieën doorstaan. De ziekte bracht dood en verderf in de stad tijdens het beleg van 1574, in 1601, 1604, 1624, 1635, 1655 en 1666. Tijdens de epidemie van 1624-1625 stierven bijna 10.000 mensen en in 1635 bijna 15.000. In 1622 telde Leiden nog 45.000 inwoners. Bijna een derde van de bevolking werd weggevaagd. Pas eeuwen later werd bekend waardoor: bacteriën in rattenvlooien.

Hogewoerd LeidenDe pest treft enkele gezinnen in de familietak van Van Wijk zeer zwaar. Neem Barent Jansz van Sonnevelt en Grietje Jorisdr Focker (generatie 12). Hij is in 1635 bakker en woont met zijn gezin in het ’t Vergulde Lam op de hoek van de Hogewoerd. In zijn zaak ligt natuurlijk een voorraad graan. Dat trekt ratten uit de nabijgelegen grachten aan.
Gealarmeerd door wat zij om zich heen zien, laten ze op 12 oktober 1635 de notaris aan huis komen. Op dat moment zijn ze nog ‘beijde gesont van lichame, gaende en staende, haer verstant wel machtig’. Slechts twee weken later is Grietje dood. Binnen een maand daarna sterven vader Barent en de zoontjes Joris en Jan. Een half gezin is weggevaagd.

Ook de familie Robijn ontsnapt in 1635 niet aan de ziekte. Franchoys Robijn (generatie 12) woont met zijn vrouw Maeijken van der Linde in de Raamsteeg, niet ver van de Hogewoerd.
Ze zijn vier jaar eerder getrouwd en hebben twee kleine kinderen. Franchoys sterft medio oktober; zijn eenjarige zoontje twee weken daarna. Mogelijk heeft Franchoys’ moeder Jaecquemijntje onbedoeld de dodelijke vlooien overgebracht. Jaecquemijntje van de Walle is in 1635 weduwe en overlijdt eind september namelijk als eerste familielid.

De grootste slachting richt een eerdere pestepidemie aan in het gezin van Caerl Oliviers en Tabitha de Bels (generatie 13). Deze Vlamingen hadden vast op een betere toekomst in Leiden gehoopt. Zij wonen in 1624 op de Achtergracht (nu: Catharinaveststeeg) wanneer het noodlot toeslaat. Tabitha, ongeveer 50 jaar oud, en vier kinderen sterven. Ook nu gebeurt dat binnen het tijdbestek van slechts een maand. Het leed was eigenlijk niet te bevatten, maar het leven ging door. In januari 1625, vier maanden later, staat Caerl alweer met een weduwe voor het altaar.

 

Een aangetrouwde 16de eeuwse schilder: Carel Liefrinck

Wat is er nu leuker voor een genealoog dan tastbare zaken vinden uit het verleden? Ik mag een zestiende eeuwse kunstschilder tot mijn aangetrouwde familie rekenen. Namelijk Carel Liefrinck (1559 – 1624). Hij is een telg uit een bekend geslacht van schilders en graveurs of ‘figuersnyders’. Gelukkig bleven meerdere werken bewaard.

Carel is in Antwerpen geboren, nadat zijn vader uit Augsburg kwam. Hij was in 1581 lid van het Antwerpse St Lucas Gilde. Daarna reist hij zoals veel andere Vlamingen zijn broer Hans achterna, die reeds in 1574 in Leiden verblijft. In 1586 trouwt Carel met Marijtgen Hobben. Als getuige brengt hij zijn ‘schoonvader’ Harman Aertss Saftleven mee en Marijtgen haar moeder Burchen Claesdr.

huwelijk Caerl Lieffrinc en Marijtgen HobbenDe laat 16de eeuwse teksten zijn soms moeilijk te ontcijferen. Bovendien werden namen  fonetisch opgeschreven. Maar Burchen Claesdr is met zekerheid de dochter van Claes Pouwelsz [Focker] en Marij Gerritsdr. Zij zijn mijn voorouders in de veertiende generatie. Rond 1510 geboren, vormen zij het vroegst bekende echtpaar. Nog maar net waren de middeleeuwen voorbij. Het zijn woelige tijden en in 1573 – 1574 doorstaan zij het beleg en ontzet van Leiden.

Tijdens de tachtig jarige oorlog verblijft Carel Liefrinck in 1581 nog in Antwerpen. Onbekend is of hij het beleg van die stad in 1584 – 1585 meemaakt. Maar een jaar later duikt hij op in Leiden, waar hij met Marijtgen trouwt. Zij leeft nog in 1602. Dat weet ik, aangezien er gedoe ontstaat over de afwikkeling van een erfenis in de familie Focker. In 1604 is Carel echter weduwnaar wanneer hij met jongedochter Cathelijna Laurens hertrouwt. Haar is geen lang leven beschoren. In 1607 hertrouwt hij nogmaals als weduwnaar, nu met Cornelia van Noorden.

Carel Liefrinck koopt in 1604 of 1605 een pand aan het Rapenburg in Leiden. Je kunt het slechter treffen. Kan hij zich een huis aan die voorname gracht echter veroorloven? In 1614 draagt hij het weer over aan de eerdere eigenaren ‘voor de quijtinge van de felve fomme’.

Het blijft gissen wat voor iemand Carel eigenlijk was. Over zijn werk is vrij weinig bekend en misschien produceerde hij voornamelijk in opdracht. Maar mogelijk maakte hij ook schilderijen die ons iets tonen van zijn persoonlijkheid. De taferelen doen dan een romantische inborst vermoeden.

Bij mijn weten is de beschikbare informatie over hem en zijn kunstzinnige familie niet eerder samen gebracht. Want Carel, Hans (Johannes), Claes (Nicolaas), Cornelis, Willem en Mynken/Willemijne Liefrinck zijn waarschijnlijk allemaal verwant. Ik doe nu een onvolledige poging met vondsten uit archieven, literatuur en het internet. Zie Focker hierboven en Generatie 14 Focker en schilder Carel Liefrinck.

Binnenvader van het Leidse Minnehuis

Minnehuis KaarsemakerstraatTerwijl een middelbare leeftijd nu nadelig is bij sollicitaties, kon dat vroeger juist een voorwaarde zijn voor een baan. Zoals in het geval van mijn voorouders Dirk van Wijk en Grietje Dee. Zij worden in 1826 benoemd tot binnenvader en –moeder van het gereformeerde Minnehuis in Leiden. Daarvoor verhuizen zij naar het pand in de Kaarsemakerstraat. Dirk is in feite uitvoerend directeur en zijn vrouw assisteert hem. Het bestuur dicteert nauwgezet alle regels voor de werknemers en inwoners van ‘het gesticht’. Die inwoners zijn armlastige oude lieden, maar ook enkele daklozen en wezen of minnekinderen.

Hun plekje bestaat uit een bed op een zaal. Bij binnenkomst mogen ze geen eigen meubels inbrengen en hun kleding en schoeisel (klompen) moeten schoon zijn. De vader en moeder zien erop toe dat men er steeds ‘ordelijk en zindelijk’ bijloopt en zich keurig gedraagt. Eten gebeurt gezamenlijk op voorgeschreven tijden.
De oudjes werken nog zolang zij kunnen. Wekelijks dragen zij 25 cent tot een gulden af van hun bescheiden loon. Behalve sommigen in de winter, die dan tijdelijk geen werk hebben. Voor familiebezoek moeten zij speciaal toestemming vragen. Op zondag maakt Dirk als binnenvader met de bewoners een verplicht uitstapje naar de kerk. En ‘s avonds sluit hij de poort, waarna hij ter controle de namen van alle bewoners afroept.

Niet elke bejaarde verdroeg dergelijke betutteling, dus waren er notoire weglopers. Anderen zochten troost in alcohol. Dat blijkt uit de notulen van het bestuur. ‘Abraham van der Meer, door den Heer Burgemeester geplaatst, den 2 november l.l. tijdens zijn huis arrest, door het springen uit een raam dit gesticht ontvlugt zijnde: is besloten hem voortaan niet meer in te nemen.’ De arme man was waarschijnlijk al eerder bestraft met een blok aan het been. Desnoods zette men iemand ‘in de prison’ van het gesticht.

Volgens de notulen vraagt de burgemeester ook weleens om een ‘vrouwelijk cadaver ten nutten van het onderwijs het welk door de heer Lector aan de Stads Vroedvrouwen gegeven word’. Het hoort allemaal bij het leven van een negentiende-eeuwse bejaarde.

Dit is slechts een klein fragment uit de enerverende geschiedenis van de Leidse familie Van Wijk. Veel meer valt te lezen op de familiepagina Van Wijk. De eerste bestanden over dit interessante geslacht kunt u daar nu al downloaden.

We hadden als Brenninkmeijer kunnen zijn

Vorige week schreef Peter de Waard in de Volkskrant een terugblik op het leven van oud-C&A-topman Godfried Fransz Brenninkmeijer. ‘De Brenninkmeijers worden met een vermogen van 22 miljard euro gezien als een van de rijkste families ter wereld.’ Dit geslacht past in het rijtje: Dreesmann, Lampe, Peek, Cloppenburg, Kreymborg en Reinke. De Reinkes werden iets minder bekend, maar behoren tot mijn familie.

Meerdere mannen uit deze geslachten reisden in de negentiende eeuw als ‘textielteuten’ of ‘kiepkerels’ vanuit Westfalen door Nederland. Het waren rondreizende marskramers met manden vol linnen en passementen op de rug. Ze openden na enige tijd winkels in diverse plaatsen. Volgens De Waard voelden veel katholieke handelaren uit Westfalen zich bedreigd door de Pruisische protestanten.

Betovergrootvader Johan Bernard Joachim Andreas Reinke (‘Andreas’) is in 1807 geboren te Riesenbeck nabij Ibbenbüren. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader Johann Bernard Reinke. Vader en zoon pendelen namelijk regelmatig tussen verwanten in Westfalen en de Randstad. Johann Bernard overlijdt in 1819 tijdens een logeerpartij bij oom Gerrit op de Leidse Botermarkt.

Hoogstraat 4 LeidenAndreas koopt in 1844 het fraaie pand Hoogstraat 4 op een zeer strategische locatie in Leiden voor de lieve duit van ƒ 6.000. De notaris omschrijft het als volgt: Een hecht sterk en weldoortimmerd Heerenhuis en erve, sedert weinige jaren vertimmerd, voorzien van een voorhuis, gestucadoord en met marmere steenen bevloerd, voorts van diverse boven en benedenkamers meest alle behangen en met gestukadoorde zolderingen en schoor­steenen, waaronder drie met marmeren mantels, provisie- en dienstboden­kamers, keuken met regen- en putwaterspomp, groote overwulfde kelder, bergplaats voor turf en luchtige kleeder­zolder, staande en gelegen binnen deze stad aan de Hoogstraat, een uitgestrekt uitzigt hebbende over en langs den Nieuwen Rijn.’

Samen met zijn Leidse vrouw Maria Theresia Huybers drijft hij daar zijn handel. Met advertenties in het Leidsch Dagblad prijst Andreas hun waren aan: ‘Door voordeeligen inkoop van eene groote partij lakens en buxkings in alle kleuren en kwaliteiten in staat gesteld worden deze tot buitengewone lage prijzen verkocht. A. Reinke, Hoogstraat, wijk 7, no 4.’ (02-03-1868)

In hun tijd heeft het pand twee schoorstenen met puntige kappen en een windvaantje. De zolder en twee bovenste verdiepingen zijn in gebruik als woonruimte. Waarschijnlijk verblijven er tegelijk twee dienstbodes en een winkel­bediende, plus één of twee studenten. Vlak onder de dakgoot hangt een bord met de tekst ‘A. Reinke, bedden, dekens, matrassen, manufacturen’. Op de begane grond zit de winkel en op de stoep geëtaleerde waren. Die stoep is met een zonnescherm overdekt en met twee stenen paaltjes en een ijzeren hekje aan de zijkanten afgezet. Op straat rijden karren over grijze kinderkopjes rammelend voorbij. De tot aan de kade doorlopende kelder fungeert als magazijn en wordt met boten vanaf het water bevoorraad.

Vraag niet waar het geld is gebleven. Maar met dezelfde handelsgeest worden er nog altijd goede zaken gedaan. Nu zitten Annie’s en Peppermint samen in het pand.

Belastingpachter in 1595

Gerrit Jorisz Focker, een oudere broer van mijn voormoeder Grietgen, oefent een verdwenen beroep uit. Hij is rond 1569 geboren in Leiden en wordt eerst schoenmaker. Maar met het pachten van belastingen kan hij beter verdienen. Zijn vader Joris en broer Anthonis gaan hem daarin voor. Stadsbesturen en de Staten van Holland en West-Friesland laten in die tijd het innen van belastingen over aan particulieren. Burgers bieden op het recht dat te mogen doen. Bijvoorbeeld de impost of accijns op het bier in Zoeterwoude in het jaar 1595. Ze betalen daarvoor een flinke som in de hoop winst te behalen. En dat lukt best aardig. Veel pachters vragen meer belasting van mensen, dan zij eigenlijk mogen doen. Daarom waren er regelmatig volksoproeren.

Gerrit is zo’n pachter die in 1599 zelf zijn belas­tingtarief bepaalt op het slachten in Leiderdorp. Hij spreekt dan met Govert Gerritszn, huidenkoper, een bedrag van 32 stuivers per beest af. Vijftien jaar later is Gerrit pachter van ‘het bestiaal’ in Oegstgeest. Eerst moet men bepalen hoeveel impost ‘Machtelt ende Annetge Pieterdochters’ moeten betalen over het ‘te doen slachten zeecker vercken’. Daartoe stellen twee buren in opdracht van Gerrit vast wat het dier waard is. Door een inschattingsfout ontstaat er geharrewar over een verschil van ƒ 1,50. En dat heeft gevolgen voor de impost. Dit is bekend, omdat een notaris alles schriftelijk vastlegt.

Het vlees van slachtvee wordt gezouten en in tonnen gelegd. Zout is een belangrijk conserveringsmiddel, dus heft men ook daar apart belasting op. Dit is vergelijkbaar met de BTW nu. Periodiek int men voor ‘het Gemene Land’ eveneens geld op vermogen, zoals de 200ste penning.

De soorten impost zeggen veel over de goederen van toen. Zoals: turf, kaarsvet, bier, zout, paarden, slachtvee, en zeep. Turf was brandstof voor verwarming en om op te koken. Kaarsvet was een bron van licht. En het bier met een laag alcoholpercentage gold als volksdrank, want weinig stedelingen hadden schoon drinkwater. Verder werd steeds apart geld geïnd voor het onderhoud van dijken, de bemaling van nieuw ontgonnen gebieden, het graven van kanalen of de uitbreiding van de stad. Boetes kon je trouwens voldoen in aantallen bakstenen voor de stadsmuur.

Zelfs het innen van boetes in Leiden en het ‘quartier van Rijnlant’ wordt verpacht. Daarbij is het handig dat Gerrit als ‘Adelborst Musquettiers’ met een wapen overweg kan. Wanneer in 1598 een turfschipper dwarsligt, laat hij diens schip aan de ketting leggen om hem tot betaling te dwingen. En als hij het niet alleen afkan, haalt Gerrit er een deurwaarder en de schout bij. Zo ook in januari 1614, wanneer iemand beweert weinig bier in huis te hebben. De heren forceren ter controle ‘de kelder deur gemeerct mitte Roos’. Daarachter treffen ze een grotere hoeveelheid heerlijk vers gerstenat aan en laten zich dat ter plekke goed smaken.

Tja, de mannelijke Fockers waren onversaagd en allen schutter. Ik weet niet of Gerrit op een agressieve belastingontduiker is gestuit. Wel ontbiedt hij rond zijn 45ste ‘s avonds om 23.00 uur een notaris, die zijn testament opstelt. Gerrit ligt dan ziek op bed. Kennelijk is hij toch bij zijn leest gebleven, want twee schoenmakers zijn daarbij present. Waaronder Lambrecht Thomasz van Swieten, zijn vriend voor het leven. Gerrit sterft een maand later.

(Bron afbeelding: Erfgoed Leiden en Omstreken, aquarel van J.E. Kikkert, eind 19de eeuw, g

Joris Anthonisz Focker, wanted dead or alive

De Leidse schoenmaker, schutter, steenbakker, belastingpachter, huisjesmelker en projectontwikkelaar Anthonis Joriszn Focker leidde een zeer energiek bestaan. Daardoor zou je bijna vergeten dat de Tachtigjarige Oorlog gaande was en hij een gezinsleven had. Hij en Emmetje Jans van Woerden krijgen na hun huwelijk in 1583 minimaal een zoon en twee dochters (Joris, Maritgen en Grietgen). Ik zal er geen doekjes om winden; Anthonis is vast geen lieverdje. En die zoon van hem heeft waarschijnlijk een aardje naar zijn vaartje. Lees verder

Namen van Leidse huizen en herbergen

Sinds deze week kunt u het wel een wee van de familie Focker op Familiesporen lezen. Daarin staat het echtpaar Joris Claeszn. Focker en Marijtje Gerritdr. van de Ouwerijng met hun kinderen centraal. Joris en Marijtje zijn rond 1540 geboren en zij woonden in Leiden. In die tijd had de stad nog overduidelijk een middeleeuws uiterlijk. Een kenmerkend gebruik was om huizen (evenals herbergen) een naam te geven. Die prijkte vaak met een mooie afbeelding op een uithangbord aan de muur. Zo wist iedereen het pand zonder huisnummer wel te vinden.

Vaak kregen de panden toepasselijke namen. Een bakker zorgde dat hij goed vindbaar was. Die vertoefde bijvoorbeeld in ‘de gouden aren’. Bij de familie Focker komen we heel wat huisnamen tegen. Marijtje woont als weduwe in ’t Vergulden Lam, ook wel Het Gulden Lam genaamd. Haar huis staat op de hoek van de Steenschuur en de Hogewoerd.

Herbergen fungeerden regelmatig als plaats om zaken te doen. Zo regelt haar zoon Anthonis de formele afwikkeling van een erfenis in herberg In de Swan. Die zaak zit bij de Rode Steen op de Haarlemmerstraat. Deze steen markeert waarschijnlijk de grens tussen de Onze Lieve Vrouwe en Sint Pancras parochies. Andere herbergnamen uit akten zijn: De Blaeuwe Clock, inden Druijff, Den Verlooren Arbeijt, inden Regenbooch, De Eenhoorn, Den Gulden Gecroonden Hoorn (op de Breestraat), inde Drie Goude Wijnprouers, inden Vergulden Hoorn, int Hoff van Hollandt.

Zoon Gerrit bezit het pand Roma dat tussen de Hogewoerd en de Rijn staat. Verder komen we huisnamen tegen als: Augsburg (vernoemd naar de plaats van herkomst van de eigenaar) en Den Vergulde Poort. Zelfs akkers kregen een naam. Zo bezit Anthonis vier veenakkers genaamd De Ruige Camp in Boxhol (Bokshol), een dorpje in Zuid-Holland.

Anthonis schopte het tot lokale beroemdheid. Zijn riante woning aan de Oude Singel stond eeuwenlang bekend als het Focker’s Huijs. (Klik op afbeelding voor vergroting: het brede huis met diepe tuin links van nummer 59.) Dat was naar huidige maatstaven ruim een miljoen euro waard. Voor een transactie machtigt hij een koopman die in Het Radt van Avonturen woont. En nadat Anthonis bijna bankroet gaat, verkast hij naar De Leggende Leeuw in de Sint Aagtenstraat. Het was toch nog een aardig optrekje. Dit in tegenstelling tot de eenvoudige wevershuisjes die hij aan lakenwerkers verhuurde. Die pandjes bleven anoniem.

Op de kaart Lugdunum Bavatorum, circa 1619 van Pieter Bast; bijge­werkt en uitgebreid door Nicolaes van Geelkercken, staat in het midden het Focker’s Huijs aan de Oude Singel. Het is het grootste huis met verreweg de grootste stadstuin in het rijtje. De twee huizen daarnaast zijn ook van Anthonis Joriszn. Focker.

Opa als watergeus tijdens Leidens Ontzet

watergeuzen 3 oktober

Opa Bredewold is de tweede persoon rechts.

Johannes Josephus Bredewold (1889 – 1951) is de vader van mijn moeder. Deze opa heb ik nooit gekend, want hij was al voor mijn geboorte overleden. Tijdens Leidens Ontzet deed hij als figurant mee aan de grote optocht. Er is een portret waarop hij in vol ornaat gekleed zit op een paard. Als kind vond ik die foto zeer fascinerend. Hij hing aan de muur bij de trap naar de woonkamer van oma, in het huis aan de Lange Mare.

Opa Bredewold had een winkel en als ondernemer maakte hij tijdens optochten reclame. Zoals nu nog gebruikelijk is. Hij heeft ook eens een praalwagen gefinancierd. Verder staat hij als geus verkleed op een schuit vol feestvierders. Bij mijn weten is die foto eveneens genomen op 3 oktober. Vermoedelijk werd de bevrijding door de watergeuzen toen nagespeeld.

Van nog eerder stamt een foto uit zijn militaire-diensttijd rond 1918. Hij poseert samen met andere soldaten in uniform voor het hek bij de Leidse burcht. Op al deze foto’s zie je een lange, slanke, vrij serieus ogende man. Al kon hij een behoorlijke grappenmaker zijn.

Met zijn deelname aan het 3-oktoberfeest presenteert hij zich als een rasechte Leidenaar. Maar feitelijk komen zijn voorvaderen en een deel van zijn moeders familie uit het oosten. Een ander deel van de vrouwelijke lijn bevat echter wel typisch Leidse geslachten. Zij vertrokken eeuwen geleden uit Noord-Frankrijk en werkten van generatie op generatie in de Leidse lakenindustrie.

Gezichten bij een trouwakte

Op 24 februari 1916 trouwden mijn opa en oma Leonardus van Veen en Cornelia Kortekaas in het Zuid-Hollandse dorpje Voorhout. Volgens traditie doen ze dit in de plaats waar de bruid was geboren en getogen. Ik vond hun trouwakte zo’n dertig jaar geleden, maar foto’s van het feest ontbraken. Hun akte kreeg volgnummer 3 in het trouwregister. Dat geeft wel aan hoe klein Voorhout toen nog was.

Voor de 28-jarige Leonardus is dit al het tweede huwelijk. Krap vier jaar eerder trouwde hij in Den Haag met Elisabeth Hendrina van Brandenburg. Volgens overlevering stierf zij kort na de geboorte van hun eerste kind. Ook dat kindje, een zoontje, overleed vrij snel daarna. Mogelijk ging het mis bij de bevalling. Of zijn moeder en kind aan tuberculose overleden? Niemand weet het nog zeker.

Mijn vader vertelde dat opa en oma elkaar kennen leerden toen zij bij hem en het zoontje in huis kwam werken. Gisteren kreeg ik voor het eerst hun huwelijksfoto onder ogen. Hij zit in een donkerbruine lijst achter glas en is op een stukje stof geplakt. Achterop heeft iemand ‘24 februari 1916’ geschreven. Ongetwijfeld hopend op een beter begin en een langer leven.

Leonardus van Veen en Cornelia Kortekaas(Met dank aan tante Trees voor het uitlenen van deze foto.)

Verrassing: oude familiefoto’s

Het is mager gesteld met oude foto’s binnen de families Van Veen en Kortekaas. Eigenlijk zoek ik daar al jaren naar. Dus was de verrassing groot toen mijn neef Hans onlangs diverse kiekjes stuurde. Ze werpen nieuw licht op ons verleden.

Alleen, wie zouden er op die foto’s staan? Mijn vader en ik zijn er nog niet uit. Als iemand het weet, horen wij het graag. (Klik op de foto’s om een vergroting te zien.)

familie KortekaasFoto met vijf kleine kinderen. Volgens mijn vader heeft het meisje in het midden een gezicht van de familie Kortekaas.

Foto van jonge vrouw. Ik vermoed dat zij een zus is van opa Van Veen: namelijk Cornelia of Anna (Johanna Maria).Cornelia of Johanna Maria van Veen

Foto van het echtpaar. Mijn vader ziet bij de man gelaatstrekken van de familie Kortekaas. Onbekend is wie de vrouw is. Mogelijk gaat het om de vader van oma (Leonardus Kortekaas) met zijn eerste vrouw Maria Hartveld of zijn tweede vrouw Keetje Mooijekind.Leonardus Kortekaas, Maria Hartveld of Keetje Mooijekind

In elk geval zijn zij niet de ouders van opa Van Veen. Oom Henk en opa leken op overgrootvader. Hij was een beetje klein en tenger, zeker vergeleken bij zijn vrouw. Clasina Knijnenburg had een wat ‘boers’, rond gezicht en was groter dan hij. Clasina droeg eveneens een kanten kapje. Er is een trouwfoto van dit echtpaar waarop zij een hoge hoed draagt. Die hing ooit boven een klok. Weet iemand waar die foto is?

Natuurlijk zijn meer digitale foto’s van de oudere generaties welkom. Ik plaats ze hier graag, zodat ze voor alle verwanten zichtbaar zijn.

PS: Naar aanleiding van deze foto’s heb ik weer onderzoek verricht. Dat leverde nieuwe informatie op. De gegevens over generatie 3 Van Veen heb ik aangevuld met de trouwakte van Johanna Maria, de overlijdensakte van Cornelia en data uit bevolkingsregisters.

Bron originele foto’s: Hans van Veen.