Auteursarchief: Karin van Veen

Een ‘Rus’ in de familie

In de marge van een notariële akte krabbelde iemand ooit met rode pen: ‘zoon en dochters van Willem Frederik van Wijk, geb. 31 december 1788 (de Rus) huwde 8 september 1815 met Jansje Zitman. …’ Die akte hoort bij het archief van de Leidse wollendekenfabriek Gebr. van Wijk en Co. Waar komt die bijnaam ‘de Rus’ vandaan?, vraagt u zich nu misschien af. Wel, daar zit een hele geschiedenis uit de Franse tijd aan vast.

Willem Frederik is een zoon van mijn voorouders Dirk van Wijk en Johanna Fassijn. Hij bezit een wollendekenfabriek die volgende generaties later zullen uitbouwen. Maar wanneer Willem Frederik 22 jaar oud is, moet hij eerst in dienst. Holland is dan bij het Franse keizerrijk ingelijfd en Napoleon heeft manschappen nodig. Die diensttijd voert Willem Frederik te voet helemaal naar Polen, Duitsland, Denemarken, Frankrijk en België.

Onderweg raakt zijn divisie verzeild in een grootschalig en bloedig treffen met de Russen. Dat gebeurt in augustus 1813 bij de brug over de rivier de Katzbach. Ze raken uiteindelijk te zeer verzwakt ‘door het aanhoudende kanonvuur en de herhaalde charges der kozakken’. Wanneer zijn divisie probeert te vluchten, nemen de Kozakken de nog levende mannen gevangen.

‘De meeste manschap­pen wierpen hunne wapens weg en zochten een goed heenkomen; velen aan de rivierzijde maar werden door den fellen stroom medegesleept en kwamen ellendig om. De Russen naderden ons en namen bijna onze geheele divisie gevangen; zij gingen daarbij op ouderwetsche manier te werk door hunne gevangenen van alles te berooven wat zij aan waarde bij zich hadden. In ’t water staande had ik van een soldaat, die een groote zak met waarschijnlijk gestolen Pruisische thalers bij zich droeg, eenige daarvan gekregen en had die in mijne schoenen gestopt; de kozakken naderden mij en eischten mijn geld op; ik gaf hem mijn beursje waarin zich eenige hollandsche geld bevond; anderen wilden mijn vrij goede kapotjas hebben, en begonnen mij, daar ik hun bedoeling niet begreep, te trekken en te sleuren; een hunner pakte mij bij de keel en voelde in mijn das mijn horloge zitten, waarop hij mij zoo geweldig vastgreep dat ik meende te stikken en bijna mijn bewustzijn verloor, toen tot mijn geluk de mouwknoopen van mijn rok sprongen, mijn hand vrij raakte en ik daarmede mijn halsdas kon losmaken, waarmede zich mijn aanrander, met het horloge tevens, uit de voeten maakte; in minder tijd dan ik het kan vertellen, was ik van alles, wat ik maar van eenige waarde aanhad, verlost en zoo bijna al mijne lotgenoo­ten.’

Vervolgens moeten de krijgsgevangenen naar Breslau marcheren. Dat gaat langzaam vanwege de vele gewonden. Eenmaal daar, wordt Willem Frederik voor het blok gezet. Hij kan kiezen tussen in dienst gaan voor de Russen of op transport worden gezet naar Siberië. Dan tekent hij maar voor het Russische leger en zo komt hij aan zijn bijnaam.

Willem Frederik heeft op hoge leeftijd zijn verhaal nog laten optekenen. Deze tekst is een van de leukste vondsten die je in een archief kunt doen. Want egodocumenten zijn tamelijk zeldzaam en dit geeft een boeiend kijkje in zijn enerverende leven. U vindt de integrale tekst vanaf pagina 38 bij Generatie 06 – 08 Van Wijk.

Met de VOC naar Batavia

In De trouwlustige Dominicus zien we in 1771 een man naar Batavia vertrekken. Dat is het huidige Jakarta op Java in Indonesië. De VOC trok een bonte groep mensen aan uit heel Noord-Europa. Daar zaten avonturiers tussen en mensen die in Azië een fortuin hoopten te vergaren. De lakenindustrie in Leiden verdiende eveneens aan de VOC. Zij leverde vanaf 1742 jaarlijks stoffen voor Chinese soldatenjassen ter waarde van ƒ 70.000.

De meeste schepelingen waren echter arm. Sommigen waren op de vlucht voor schuldeisers of een onhoudbare thuissituatie. Zij kozen voor een onzekere toekomst in een onbekend land en hoopten op een behouden vaart. Twee derde van alle opvarenden in dienst van de VOC keerde niet terug. Een flink deel overleed, maar anderen bouwden in Azië een nieuw bestaan op. Mijn Leidse voorouders namen bij het vertrek van verwanten soms voorgoed afscheid.

Els Jacobs beschrijft op boeiende wijze het dagelijkse leven aan boord van schepen en in het Verre Oosten. Zie haar boek De Vereenigde Oost-Indische Compagnie. Bij de VOC tekende men voor een dienstverband van minimaal drie jaar. Dat was nog exclusief de maandenlange reis van en naar Azië. De gage was laag, maar een werknemer had wel voor jaren vast werk. Ook kreeg hij kost en inwoning. Ondertekende hij een maandbrief, dan werd regelmatig een deel van zijn gage aan familie in Holland uitbetaald. Bij overlijden dienden verwanten verzoekschriften in om het restant te ontvangen.

Mijn Leidse verwanten waren zeer honkvast. Toch besluiten enkele mannen om met de VOC naar Azië te vertrekken. Waaronder Steven Brakel in 1744, die in Batavia belandt. Hij tekent zowel een maandbrief als een schuldbrief. Zijn achtergebleven vrouw Niesje Crispijn leeft in 1752 in bittere armoede en probeert waarschijnlijk geld los te krijgen van de VOC. Haar schoonmoeder en een andere vrouw leggen dan een verklaring af over haar goede gedrag. De reden wordt iets duidelijker wanneer we kijken naar de gegevens die de heren van de VOC bewaren. Zij weten niet beter dan dat Steven getrouwd is met Maria Ridda, een andere vrouw.

Civiele Zaken RA 86 nr 142. Pro Deo.
Compareerden voor de ondergetekende Heeren Scheepenen Man. den Stadt Leiden, Jacomijntie van Oordigem, wedue van Mozes Brakel en Neeltje van de Velde, Huijsvrouw van Dirk van Egmond, wonende binnen deze stadt; dewelke verklaarden ten verzoeke van Niesje Crispijn, waar en waaragtig te weezen, dat de requirante is de wettige Huysvrouw van Steeven Brakel, die in den jaare 1744 voor soldaat, met ‘t schip Saamslag van de Kamer van Amsterdam, naar Oostindiën is gevaaren. Dat de Requirante een kind bij de voornoemde haar man verwekt in leeven is hebbende, en dat zij haar (voorzoo veel haar deposanten bekent is) als een eerlijke vrouw betaamt, is gedragende, en op een zeer sobere wijze met haaren handen arbeijd aan de kost kan koomen.
Gevende zij deporanten voorredenen van wetenschap, dat zij de Requirante, haare voornoemde man en kind zeer wel fijn kennende en voort als in den toft. Zowaar LXa Actundis 20-12-1752.
Getekend: Jacob Pla en G. Tedingh van Berkhout.

De trouwlustige Dominicus

Mijn voormoeder Anna van der Plaat komt uit een gezin waarin zeker tien kinderen werden geboren. Als zij 19 jaar is, komt in 1720 haar jongste broertje Dominicus  in Leiden ter wereld.
Zij hebben als volwassenen een goede band met elkaar. Anna trouwt in 1721 met Johannes Buijs en vertrekt uit huis. Dominicus groeit op en wordt lakenwever. Hij zal maar liefst vier keer trouwen.

Hoewel? Bijna. Eerst trouwt hij in 1745 met Judith Kerkhooven. Het jonge paar krijgt minimaal vijf nakomelingen, waaronder een tweeling. Maar zoals dat gaat in hun tijd: Judith overlijdt, evenals vier van de vijf kinderen. In 1752 doet Dominicus een nieuwe poging. Hij hertrouwt met Pieternella van der Laars, die zelf weduwe is. Zij heeft evenmin het eeuwige leven. Twaalf jaar later trouwt Dominicus voor de derde maal. Nu met Alida Stavleu, wederom een weduwe. Het is onbekend of er uit deze laatste verbintenissen kinderen worden geboren. Maar ook Alida overlijdt en Dominicus staat er alweer alleen voor. Terwijl hij toch wel graag zijn leven deelt met een vrouw.

Gelukkig kent hij Jacoba Fijs, een weduwe met vier kinderen bij hem in de Oosthavenstraat. Met haar wil hij best weer in het huwelijksbootje stappen. Dus gaan ze op 14 juli 1770 naar de kerk voor de ondertrouw. Zij moet alleen nog de overlijdensakte van haar vorige man overleggen. Tja, dan komt de aap uit de mouw. Want ze is pas vijf maanden weduwe. Ze kan wel zwanger zijn van haar overleden echtgenoot. Het laatste wat de hoge heren commissarissen willen, is onduidelijkheid over de afstamming van een ongeboren kind. Dus wordt er voorlopig niet getrouwd.

dominicus-van-der-plaatZwanger was ze inderdaad. Op 20 maart 1771 laten Dominicus en Jacoba het jongentje Arie van der Plaat dopen in de Pieterskerk. Was dat om haar eer te redden? Ik heb geen huwelijk meer gevonden.

Slechts twee weken daarna gaat de bijna 51 jaar oude Dominicus in dienst als soldaat bij de VOC kamer Delft. Hij tekent een schuldbrief zodat hij alvast contant geld in handen krijgt. Vervolgens vertrekt Dominicus met het schip Vreeburg op weg naar Batavia. Na een stop bij Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika komt hij daar op 26 oktober 1771 aan. Een half jaar later, op 13 maart 1772 is hij in Azië overleden. Dan is hij degene die een weduwe eenzaam (en bedroefd?) achterlaat.

De pest halveert gezinnen Sonnevelt en Oliviers

Anno 2016 kunnen wij ons moeilijk voorstellen hoe rampzalig de pest vroeger was. Mijn Leidse voorouders hebben diverse epidemieën doorstaan. De ziekte bracht dood en verderf in de stad tijdens het beleg van 1574, in 1601, 1604, 1624, 1635, 1655 en 1666. Tijdens de epidemie van 1624-1625 stierven bijna 10.000 mensen en in 1635 bijna 15.000. In 1622 telde Leiden nog 45.000 inwoners. Bijna een derde van de bevolking werd weggevaagd. Pas eeuwen later werd bekend waardoor: bacteriën in rattenvlooien.

Hogewoerd LeidenDe pest treft enkele gezinnen in de familietak van Van Wijk zeer zwaar. Neem Barent Jansz van Sonnevelt en Grietje Jorisdr Focker (generatie 12). Hij is in 1635 bakker en woont met zijn gezin in het ’t Vergulde Lam op de hoek van de Hogewoerd. In zijn zaak ligt natuurlijk een voorraad graan. Dat trekt ratten uit de nabijgelegen grachten aan.
Gealarmeerd door wat zij om zich heen zien, laten ze op 12 oktober 1635 de notaris aan huis komen. Op dat moment zijn ze nog ‘beijde gesont van lichame, gaende en staende, haer verstant wel machtig’. Slechts twee weken later is Grietje dood. Binnen een maand daarna sterven vader Barent en de zoontjes Joris en Jan. Een half gezin is weggevaagd.

Ook de familie Robijn ontsnapt in 1635 niet aan de ziekte. Franchoys Robijn (generatie 12) woont met zijn vrouw Maeijken van der Linde in de Raamsteeg, niet ver van de Hogewoerd.
Ze zijn vier jaar eerder getrouwd en hebben twee kleine kinderen. Franchoys sterft medio oktober; zijn eenjarige zoontje twee weken daarna. Mogelijk heeft Franchoys’ moeder Jaecquemijntje onbedoeld de dodelijke vlooien overgebracht. Jaecquemijntje van de Walle is in 1635 weduwe en overlijdt eind september namelijk als eerste familielid.

De grootste slachting richt een eerdere pestepidemie aan in het gezin van Caerl Oliviers en Tabitha de Bels (generatie 13). Deze Vlamingen hadden vast op een betere toekomst in Leiden gehoopt. Zij wonen in 1624 op de Achtergracht (nu: Catharinaveststeeg) wanneer het noodlot toeslaat. Tabitha, ongeveer 50 jaar oud, en vier kinderen sterven. Ook nu gebeurt dat binnen het tijdbestek van slechts een maand. Het leed was eigenlijk niet te bevatten, maar het leven ging door. In januari 1625, vier maanden later, staat Caerl alweer met een weduwe voor het altaar.

 

Een aangetrouwde 16de eeuwse schilder: Carel Liefrinck

Wat is er nu leuker voor een genealoog dan tastbare zaken vinden uit het verleden? Ik mag een zestiende eeuwse kunstschilder tot mijn aangetrouwde familie rekenen. Namelijk Carel Liefrinck (1559 – 1624). Hij is een telg uit een bekend geslacht van schilders en graveurs of ‘figuersnyders’. Gelukkig bleven meerdere werken bewaard.

Carel is in Antwerpen geboren, nadat zijn vader uit Augsburg kwam. Hij was in 1581 lid van het Antwerpse St Lucas Gilde. Daarna reist hij zoals veel andere Vlamingen zijn broer Hans achterna, die reeds in 1574 in Leiden verblijft. In 1586 trouwt Carel met Marijtgen Hobben. Als getuige brengt hij zijn ‘schoonvader’ Harman Aertss Saftleven mee en Marijtgen haar moeder Burchen Claesdr.

huwelijk Caerl Lieffrinc en Marijtgen HobbenDe laat 16de eeuwse teksten zijn soms moeilijk te ontcijferen. Bovendien werden namen  fonetisch opgeschreven. Maar Burchen Claesdr is met zekerheid de dochter van Claes Pouwelsz [Focker] en Marij Gerritsdr. Zij zijn mijn voorouders in de veertiende generatie. Rond 1510 geboren, vormen zij het vroegst bekende echtpaar. Nog maar net waren de middeleeuwen voorbij. Het zijn woelige tijden en in 1573 – 1574 doorstaan zij het beleg en ontzet van Leiden.

Tijdens de tachtig jarige oorlog verblijft Carel Liefrinck in 1581 nog in Antwerpen. Onbekend is of hij het beleg van die stad in 1584 – 1585 meemaakt. Maar een jaar later duikt hij op in Leiden, waar hij met Marijtgen trouwt. Zij leeft nog in 1602. Dat weet ik, aangezien er gedoe ontstaat over de afwikkeling van een erfenis in de familie Focker. In 1604 is Carel echter weduwnaar wanneer hij met jongedochter Cathelijna Laurens hertrouwt. Haar is geen lang leven beschoren. In 1607 hertrouwt hij nogmaals als weduwnaar, nu met Cornelia van Noorden.

Carel Liefrinck koopt in 1604 of 1605 een pand aan het Rapenburg in Leiden. Je kunt het slechter treffen. Kan hij zich een huis aan die voorname gracht echter veroorloven? In 1614 draagt hij het weer over aan de eerdere eigenaren ‘voor de quijtinge van de felve fomme’.

Het blijft gissen wat voor iemand Carel eigenlijk was. Over zijn werk is vrij weinig bekend en misschien produceerde hij voornamelijk in opdracht. Maar mogelijk maakte hij ook schilderijen die ons iets tonen van zijn persoonlijkheid. De taferelen doen dan een romantische inborst vermoeden.

Bij mijn weten is de beschikbare informatie over hem en zijn kunstzinnige familie niet eerder samen gebracht. Want Carel, Hans (Johannes), Claes (Nicolaas), Cornelis, Willem en Mynken/Willemijne Liefrinck zijn waarschijnlijk allemaal verwant. Ik doe nu een onvolledige poging met vondsten uit archieven, literatuur en het internet. Zie Focker hierboven en Generatie 14 Focker en schilder Carel Liefrinck.

Binnenvader van het Leidse Minnehuis

Minnehuis KaarsemakerstraatTerwijl een middelbare leeftijd nu nadelig is bij sollicitaties, kon dat vroeger juist een voorwaarde zijn voor een baan. Zoals in het geval van mijn voorouders Dirk van Wijk en Grietje Dee. Zij worden in 1826 benoemd tot binnenvader en –moeder van het gereformeerde Minnehuis in Leiden. Daarvoor verhuizen zij naar het pand in de Kaarsemakerstraat. Dirk is in feite uitvoerend directeur en zijn vrouw assisteert hem. Het bestuur dicteert nauwgezet alle regels voor de werknemers en inwoners van ‘het gesticht’. Die inwoners zijn armlastige oude lieden, maar ook enkele daklozen en wezen of minnekinderen.

Hun plekje bestaat uit een bed op een zaal. Bij binnenkomst mogen ze geen eigen meubels inbrengen en hun kleding en schoeisel (klompen) moeten schoon zijn. De vader en moeder zien erop toe dat men er steeds ‘ordelijk en zindelijk’ bijloopt en zich keurig gedraagt. Eten gebeurt gezamenlijk op voorgeschreven tijden.
De oudjes werken nog zolang zij kunnen. Wekelijks dragen zij 25 cent tot een gulden af van hun bescheiden loon. Behalve sommigen in de winter, die dan tijdelijk geen werk hebben. Voor familiebezoek moeten zij speciaal toestemming vragen. Op zondag maakt Dirk als binnenvader met de bewoners een verplicht uitstapje naar de kerk. En ‘s avonds sluit hij de poort, waarna hij ter controle de namen van alle bewoners afroept.

Niet elke bejaarde verdroeg dergelijke betutteling, dus waren er notoire weglopers. Anderen zochten troost in alcohol. Dat blijkt uit de notulen van het bestuur. ‘Abraham van der Meer, door den Heer Burgemeester geplaatst, den 2 november l.l. tijdens zijn huis arrest, door het springen uit een raam dit gesticht ontvlugt zijnde: is besloten hem voortaan niet meer in te nemen.’ De arme man was waarschijnlijk al eerder bestraft met een blok aan het been. Desnoods zette men iemand ‘in de prison’ van het gesticht.

Volgens de notulen vraagt de burgemeester ook weleens om een ‘vrouwelijk cadaver ten nutten van het onderwijs het welk door de heer Lector aan de Stads Vroedvrouwen gegeven word’. Het hoort allemaal bij het leven van een negentiende-eeuwse bejaarde.

Dit is slechts een klein fragment uit de enerverende geschiedenis van de Leidse familie Van Wijk. Veel meer valt te lezen op de familiepagina Van Wijk. De eerste bestanden over dit interessante geslacht kunt u daar nu al downloaden.

We hadden als Brenninkmeijer kunnen zijn

Vorige week schreef Peter de Waard in de Volkskrant een terugblik op het leven van oud-C&A-topman Godfried Fransz Brenninkmeijer. ‘De Brenninkmeijers worden met een vermogen van 22 miljard euro gezien als een van de rijkste families ter wereld.’ Dit geslacht past in het rijtje: Dreesmann, Lampe, Peek, Cloppenburg, Kreymborg en Reinke. De Reinkes werden iets minder bekend, maar behoren tot mijn familie.

Meerdere mannen uit deze geslachten reisden in de negentiende eeuw als ‘textielteuten’ of ‘kiepkerels’ vanuit Westfalen door Nederland. Het waren rondreizende marskramers met manden vol linnen en passementen op de rug. Ze openden na enige tijd winkels in diverse plaatsen. Volgens De Waard voelden veel katholieke handelaren uit Westfalen zich bedreigd door de Pruisische protestanten.

Betovergrootvader Johan Bernard Joachim Andreas Reinke (‘Andreas’) is in 1807 geboren te Riesenbeck nabij Ibbenbüren. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader Johann Bernard Reinke. Vader en zoon pendelen namelijk regelmatig tussen verwanten in Westfalen en de Randstad. Johann Bernard overlijdt in 1819 tijdens een logeerpartij bij oom Gerrit op de Leidse Botermarkt.

Hoogstraat 4 LeidenAndreas koopt in 1844 het fraaie pand Hoogstraat 4 op een zeer strategische locatie in Leiden voor de lieve duit van ƒ 6.000. De notaris omschrijft het als volgt: Een hecht sterk en weldoortimmerd Heerenhuis en erve, sedert weinige jaren vertimmerd, voorzien van een voorhuis, gestucadoord en met marmere steenen bevloerd, voorts van diverse boven en benedenkamers meest alle behangen en met gestukadoorde zolderingen en schoor­steenen, waaronder drie met marmeren mantels, provisie- en dienstboden­kamers, keuken met regen- en putwaterspomp, groote overwulfde kelder, bergplaats voor turf en luchtige kleeder­zolder, staande en gelegen binnen deze stad aan de Hoogstraat, een uitgestrekt uitzigt hebbende over en langs den Nieuwen Rijn.’

Samen met zijn Leidse vrouw Maria Theresia Huybers drijft hij daar zijn handel. Met advertenties in het Leidsch Dagblad prijst Andreas hun waren aan: ‘Door voordeeligen inkoop van eene groote partij lakens en buxkings in alle kleuren en kwaliteiten in staat gesteld worden deze tot buitengewone lage prijzen verkocht. A. Reinke, Hoogstraat, wijk 7, no 4.’ (02-03-1868)

In hun tijd heeft het pand twee schoorstenen met puntige kappen en een windvaantje. De zolder en twee bovenste verdiepingen zijn in gebruik als woonruimte. Waarschijnlijk verblijven er tegelijk twee dienstbodes en een winkel­bediende, plus één of twee studenten. Vlak onder de dakgoot hangt een bord met de tekst ‘A. Reinke, bedden, dekens, matrassen, manufacturen’. Op de begane grond zit de winkel en op de stoep geëtaleerde waren. Die stoep is met een zonnescherm overdekt en met twee stenen paaltjes en een ijzeren hekje aan de zijkanten afgezet. Op straat rijden karren over grijze kinderkopjes rammelend voorbij. De tot aan de kade doorlopende kelder fungeert als magazijn en wordt met boten vanaf het water bevoorraad.

Vraag niet waar het geld is gebleven. Maar met dezelfde handelsgeest worden er nog altijd goede zaken gedaan. Nu zitten Annie’s en Peppermint samen in het pand.

Belastingpachter in 1595

Gerrit Jorisz Focker, een oudere broer van mijn voormoeder Grietgen, oefent een verdwenen beroep uit. Hij is rond 1569 geboren in Leiden en wordt eerst schoenmaker. Maar met het pachten van belastingen kan hij beter verdienen. Zijn vader Joris en broer Anthonis gaan hem daarin voor. Stadsbesturen en de Staten van Holland en West-Friesland laten in die tijd het innen van belastingen over aan particulieren. Burgers bieden op het recht dat te mogen doen. Bijvoorbeeld de impost of accijns op het bier in Zoeterwoude in het jaar 1595. Ze betalen daarvoor een flinke som in de hoop winst te behalen. En dat lukt best aardig. Veel pachters vragen meer belasting van mensen, dan zij eigenlijk mogen doen. Daarom waren er regelmatig volksoproeren.

Gerrit is zo’n pachter die in 1599 zelf zijn belas­tingtarief bepaalt op het slachten in Leiderdorp. Hij spreekt dan met Govert Gerritszn, huidenkoper, een bedrag van 32 stuivers per beest af. Vijftien jaar later is Gerrit pachter van ‘het bestiaal’ in Oegstgeest. Eerst moet men bepalen hoeveel impost ‘Machtelt ende Annetge Pieterdochters’ moeten betalen over het ‘te doen slachten zeecker vercken’. Daartoe stellen twee buren in opdracht van Gerrit vast wat het dier waard is. Door een inschattingsfout ontstaat er geharrewar over een verschil van ƒ 1,50. En dat heeft gevolgen voor de impost. Dit is bekend, omdat een notaris alles schriftelijk vastlegt.

Het vlees van slachtvee wordt gezouten en in tonnen gelegd. Zout is een belangrijk conserveringsmiddel, dus heft men ook daar apart belasting op. Dit is vergelijkbaar met de BTW nu. Periodiek int men voor ‘het Gemene Land’ eveneens geld op vermogen, zoals de 200ste penning.

De soorten impost zeggen veel over de goederen van toen. Zoals: turf, kaarsvet, bier, zout, paarden, slachtvee, en zeep. Turf was brandstof voor verwarming en om op te koken. Kaarsvet was een bron van licht. En het bier met een laag alcoholpercentage gold als volksdrank, want weinig stedelingen hadden schoon drinkwater. Verder werd steeds apart geld geïnd voor het onderhoud van dijken, de bemaling van nieuw ontgonnen gebieden, het graven van kanalen of de uitbreiding van de stad. Boetes kon je trouwens voldoen in aantallen bakstenen voor de stadsmuur.

Zelfs het innen van boetes in Leiden en het ‘quartier van Rijnlant’ wordt verpacht. Daarbij is het handig dat Gerrit als ‘Adelborst Musquettiers’ met een wapen overweg kan. Wanneer in 1598 een turfschipper dwarsligt, laat hij diens schip aan de ketting leggen om hem tot betaling te dwingen. En als hij het niet alleen afkan, haalt Gerrit er een deurwaarder en de schout bij. Zo ook in januari 1614, wanneer iemand beweert weinig bier in huis te hebben. De heren forceren ter controle ‘de kelder deur gemeerct mitte Roos’. Daarachter treffen ze een grotere hoeveelheid heerlijk vers gerstenat aan en laten zich dat ter plekke goed smaken.

Tja, de mannelijke Fockers waren onversaagd en allen schutter. Ik weet niet of Gerrit op een agressieve belastingontduiker is gestuit. Wel ontbiedt hij rond zijn 45ste ‘s avonds om 23.00 uur een notaris, die zijn testament opstelt. Gerrit ligt dan ziek op bed. Kennelijk is hij toch bij zijn leest gebleven, want twee schoenmakers zijn daarbij present. Waaronder Lambrecht Thomasz van Swieten, zijn vriend voor het leven. Gerrit sterft een maand later.

(Bron afbeelding: Erfgoed Leiden en Omstreken, aquarel van J.E. Kikkert, eind 19de eeuw, g

Joris Anthonisz Focker, wanted dead or alive

De Leidse schoenmaker, schutter, steenbakker, belastingpachter, huisjesmelker en projectontwikkelaar Anthonis Joriszn Focker leidde een zeer energiek bestaan. Daardoor zou je bijna vergeten dat de Tachtigjarige Oorlog gaande was en hij een gezinsleven had. Hij en Emmetje Jans van Woerden krijgen na hun huwelijk in 1583 minimaal een zoon en twee dochters (Joris, Maritgen en Grietgen). Ik zal er geen doekjes om winden; Anthonis is vast geen lieverdje. En die zoon van hem heeft waarschijnlijk een aardje naar zijn vaartje. Lees verder

Namen van Leidse huizen en herbergen

Sinds deze week kunt u het wel een wee van de familie Focker op Familiesporen lezen. Daarin staat het echtpaar Joris Claeszn. Focker en Marijtje Gerritdr. van de Ouwerijng met hun kinderen centraal. Joris en Marijtje zijn rond 1540 geboren en zij woonden in Leiden. In die tijd had de stad nog overduidelijk een middeleeuws uiterlijk. Een kenmerkend gebruik was om huizen (evenals herbergen) een naam te geven. Die prijkte vaak met een mooie afbeelding op een uithangbord aan de muur. Zo wist iedereen het pand zonder huisnummer wel te vinden.

Vaak kregen de panden toepasselijke namen. Een bakker zorgde dat hij goed vindbaar was. Die vertoefde bijvoorbeeld in ‘de gouden aren’. Bij de familie Focker komen we heel wat huisnamen tegen. Marijtje woont als weduwe in ’t Vergulden Lam, ook wel Het Gulden Lam genaamd. Haar huis staat op de hoek van de Steenschuur en de Hogewoerd.

Herbergen fungeerden regelmatig als plaats om zaken te doen. Zo regelt haar zoon Anthonis de formele afwikkeling van een erfenis in herberg In de Swan. Die zaak zit bij de Rode Steen op de Haarlemmerstraat. Deze steen markeert waarschijnlijk de grens tussen de Onze Lieve Vrouwe en Sint Pancras parochies. Andere herbergnamen uit akten zijn: De Blaeuwe Clock, inden Druijff, Den Verlooren Arbeijt, inden Regenbooch, De Eenhoorn, Den Gulden Gecroonden Hoorn (op de Breestraat), inde Drie Goude Wijnprouers, inden Vergulden Hoorn, int Hoff van Hollandt.

Zoon Gerrit bezit het pand Roma dat tussen de Hogewoerd en de Rijn staat. Verder komen we huisnamen tegen als: Augsburg (vernoemd naar de plaats van herkomst van de eigenaar) en Den Vergulde Poort. Zelfs akkers kregen een naam. Zo bezit Anthonis vier veenakkers genaamd De Ruige Camp in Boxhol (Bokshol), een dorpje in Zuid-Holland.

Anthonis schopte het tot lokale beroemdheid. Zijn riante woning aan de Oude Singel stond eeuwenlang bekend als het Focker’s Huijs. (Klik op afbeelding voor vergroting: het brede huis met diepe tuin links van nummer 59.) Dat was naar huidige maatstaven ruim een miljoen euro waard. Voor een transactie machtigt hij een koopman die in Het Radt van Avonturen woont. En nadat Anthonis bijna bankroet gaat, verkast hij naar De Leggende Leeuw in de Sint Aagtenstraat. Het was toch nog een aardig optrekje. Dit in tegenstelling tot de eenvoudige wevershuisjes die hij aan lakenwerkers verhuurde. Die pandjes bleven anoniem.

Op de kaart Lugdunum Bavatorum, circa 1619 van Pieter Bast; bijge­werkt en uitgebreid door Nicolaes van Geelkercken, staat in het midden het Focker’s Huijs aan de Oude Singel. Het is het grootste huis met verreweg de grootste stadstuin in het rijtje. De twee huizen daarnaast zijn ook van Anthonis Joriszn. Focker.