Beroep: portier van de Koepoort in Delft

Koepoort in DelftMenige stad had vroeger een hoge stenen ringmuur met grote poorten. Delft telde wel zeven poorten, waaronder de Koepoort in het oosten. Mijn voorouders Johannes Hunnego en Magdalena de Clercq zagen daar heel wat mensen passeren. Want zij woonden als vaste stadsportiers boven die poort. Er liepen dag en nacht waakzame schutters rond. En buiten de muur lag een brede, diepe gracht. Wie de stad in of uit wilde, moest eerst over een houten ophaalbrug en onder de poort door. Langs Johannes en Magdalena.

Het is niet precies bekend wanneer zij daar gaan wonen en werken. Vermoedelijk vanaf 1795 tot hun dood in respectievelijk 1806 en 1808. Later nemen hun dochter Jacoba Hunnego en haar man Adrianus van Veen het stokje over. Adrianus wordt genoemd in 1814 en 1822, terwijl Jacoba Hunnego van 1822 tot minimaal 1834 portierster is. Zij zet het beroep zelfstandig voort na Adrianus’ overlijden in 1827. Zij waren vast bekenden voor boeren in de omgeving, die met hun dieren naar de veemarkt in de stad gingen.

Portier werd je niet zomaar. Eerst moest je plechtig de ‘Eed van de portiers’ afleggen voor de heren burgemeesters van de stad. Vervolgens moest een aankomend portier van de Koepoort in de achttiende eeuw ƒ 20 betalen. Pas daarna kon hij beginnen en werd hij met een bescheiden jaargeld voor zijn diensten beloond. De Koepoort was minder imponerend dan enkele andere stadspoorten. Dit is de tekst van de eed (Register van de officien, pagina 69):

‘Eed van de portiers 

Ik sweere portier deser stad te weezen, de Poorte daar ik bij mijnen Heeren Burgemeesteren poortier gesteld ben, ende de watergaten van dien ’s morgens als de wagtklocke luijden zal, ende bij de wagte mij de sleutelen geleverd sullen zijn, getrouwelijken te ontsluijten, ende die ’s avonds wederom een half uur ten langsten naar dat de wagtklock van ’t luijden ophouden, zal getrouwelijken te sluijten, ende de sleutelen, soo haast de poorte ’s avonds geslooten zal zijn, op het stadhuijs te brengen, off den schutters in den poorte wagt hebbende te leveren, omme die op het stadhuijs te brengen, zonder dat ik naar dat de poorten, en de watergaten geslooten zullen zijn, die weder openen sal, voor des morgens op zijnen behoorlijken tijd, ten zij bij voorweten of conzent van een van mijnen Heeren van Burgemeesteren, ende anders niet, ende dat ik mijn voorts reguleren, en dragen zal naarvolgende de ardonnantien op ’t openen en sluijten van der stadspoorten, en de watergaten van dien gemaakt, offte mogte maacken.*
Soo waarlijk helpe mij God Almagtigh. 

* (aanvulling in de marge) Wijders dat ik getrouwelijk zal verantwoorden al hetgeen voor deese stad sal ontvangen soo wegens de passagie door de poorten als weegens den gemijnten door den boomvaerende, dat ook met niemand diesweegens sal accorderen, als met kennis en voorweeten van den heeren Burg.; oock niemand om enige foijen [fooien] ofte vereeringhen sal aenspreecken veel min moeijelijk vallen sal, ende van deselve ook niet profiteren dan na dat Stads Regt ten vollen zal sijn betaelt.’

In de negentiende eeuw verloren de stadsmuren en –poorten hun verdedigingsfunctie. Veel poorten werden gesloopt, waaronder de Koepoort in 1861. Nu herinnert een plaquette in het plaveisel ons aan de plek waar de Koepoort ooit stond. Gelukkig staat hij nog in kleur afgebeeld op schilderijen en een zeldzame foto.

(Zie de webpagina Van Veen voor meer informatie over de genoemde echtparen in de pdf-documenten bij generatie 6 Hunnego en generatie 5 Van Veen.)

Met 3 oktober 1574 nog vers in het geheugen

Bij veel Leidenaren begint het nu te kriebelen, want het is bijna 3 oktober. Op die dag werd Leiden in de Tachtigjarige Oorlog na de tweede Spaanse belegering ontzet, 444 jaar geleden. Dit wordt nog altijd groots gevierd. Van een reële dreiging is nu geen sprake meer. Hoe anders was dat toen voorvader Joris Claeszn Focker (circa 1540 – 1583) leefde. Hij was biertapper en schoenmaker van beroep, maar ook schutter in 1580. Want de vijand sliep nooit en de stad moest dag en nacht worden bewaakt.

Met de ontberingen van pest en honger vers in het geheugen, verwacht je dat stadswachten constant alert zijn. Toch is hun aandacht vier jaar later alweer verslapt. Zo kan het niet langer! In 1580 grijpen de schout en de heren burgemeesters in. Zij stellen een flinke verordening op. Die leest de stadsomroeper op de Breestraat voor aan het toegestroomde volk.

Vrij hertaald is er sprake van wanorde en een slappe uitvoering van taken. De schutters tonen onvoldoende vlijt en trouw, terwijl dit een verschuldigde plicht is. De wachters zijn een stelletje slabakken en laten de boel maar versloffen. ‘Terwijl we met het verlies van de stad ook allemaal ons lijf en goed verliezen. En weet dat de listige vijand niet slaapt. Die zal ervan profiteren om het hele land te bederven en dorpen te verwoesten en de goede vrome en trouwe onderdanen met vrouwen en kinderen te vermoorden en verjagen. Ja, deze vijand zal de achterblijvenden in een eeuwige slavernij en knechtschap houden.’ Als dat niet afschrikt, weet ik het ook niet meer.

In 1580 nemen de stadsbestuurders maatregelen. Het aantal nachtwachten wordt vergroot. Vanaf dan hoeven zij slechts een keer per twaalf dagen in plaats van per acht te komen. Let wel: deze burgertaak verrichten de mannen na hun lange en zware werkdag. Geen wonder dat er af en toe eentje in slaap valt. Ook wordt de informatievoorziening over de diensten verbeterd. Wie ziek is of verhinderd, moet dat tijdig komen melden en een plaatsvervanger sturen of betalen. Huurlingen kosten vier stuivers de man.

De stadsomroeper rept verder over diensttijden en werkafspraken. Zo moeten de sleutels van de stad bijvoorbeeld elke nacht worden bewaard op het stadhuis. Vroedschappen, kapiteins, nachtwachten, portiers, boden en schutters zijn hierbij betrokken. Ze hebben allemaal een specifieke rol in de bewaking en verdediging van hun stad.

Voorvader Joris Claeszn Focker woont in 1580 op de hoek van de Hogewoerd bij de Karnemelksbrug en het Gangetje. Hij valt als schutter onder rotmeester Jacob Spruijt in de buurt Gansoord. Hoe hij over zijn burgerplicht dacht, kunnen we slechts raden. Maar hij heeft op 3 oktober vast jaarlijks aan de gebeurtenissen in 1574 teruggedacht.

De volledige tekst uit het Leidse aflezingenboek van 22 november 1580 vindt u op pagina 39-41 van het pdf-document De familie Focker deel I.

Opa Leen en zijn broer Piet van Veen

Mijn opa van vaderskant, Leonardus ‘Leen’ van Veen (1888-1969), vertelde vroeger weinig over zijn familie. Maar zijn jongere broer Piet (1893-1962) kwam wel over de vloer. Opa is de vijfde van zes kinderen. Het gezin waarin hij opgroeit, wordt flink door kindersterfte getroffen. Zie generatie 3 Van Veen. Alleen opa zelf, zijn zus Johanna Maria ‘Anna’ van Veen en zijn broer Petrus ‘Piet’ van Veen worden volwassen. Toen opa veertig werd in 1928, waren Anna en de ouders ook al overleden. Vanaf dat jaar zijn de twee broers op elkaar aangewezen. Ze maakten twee oorlogen en de crisisjaren mee, en hielpen elkaar een beetje.

Na een verblijf in Den Haag, trekt Leen op 29 september 1909 in bij zijn ouders op het adres Morsstraat 42 in Leiden. Hij vertrekt op 18 februari 1911 weer naar de Hofstad, in januari 1913 gevolgd door zijn broer Piet. Leen woont in de Haagse stationsbuurt is dan rijwielhersteller van beroep.

Het volgende wapenfeit van Piet is zijn huwelijk op 12 oktober 1916 met Gerarda Catharina ‘Grarda’ Verlaan, een meisje van twintig jaar uit Voorhout. Toevallig komt daar ook zijn broers tweede vrouw Cornelia Kortekaas vandaan. Piet is 22 jaar oud, eveneens rijwielhersteller van beroep en hij woont dan weer in Leiden. Broer Leen van Veen en Johannes de Groot, de man van zus Anna van Veen, zijn getuige bij het huwelijk. Deze twee heren wonen met hun echtgenotes in Den Haag.

Tijdens ‘de oorlog’ (vermoedelijk de Eerste Wereldoorlog) werkt Leonardus van Veen voor de Blauwe Tram. Dat was de tramdienst van Den Haag naar Leiden. Hij werkt in de remise als onderhouds­monteur in Voorburg. Toeval of niet, broer Piet is tegelijkertijd trambestuurder of –conducteur.

Piet en Grarda krijgen tussen 1917 en 1928 gezinsuitbreiding: drie zonen en drie meisjes, waarvan er een (Francisca) jong overlijdt. De kinderen zijn allemaal in Leiden geboren, behalve de tweede zoon. Die kwam in 1919 in Zoeterwoude ter wereld. Het lijkt zo wel alsof ze in de buurt van Leiden blijven wonen, maar niets is minder waar.

In maart 1917 verhuist Piet samen met zijn vrouw en oudste zoon vanuit Den Haag naar Roosendaal. Daar is hij als militair ingekwartierd. Een half jaar later vertrekken ze naar het adres Coehoornpark 24 in Bergen op Zoom. Nog een half jaar later, in april 1918, keert het gezin terug naar Leiden. Daar pakt Piet zijn beroep als rijwielhersteller weer op. Ze wonen in de Van der Werffstraat en in de Caeliliastraat.

Leonardus van Veen met stoomwals

Leonardus van Veen wisselt intussen enkele malen van beroep. In 1928 gaat hij aan de slag als stoomwalsmachinist voor de Hollandsche Beton My. Alleen moet hij voor het asfalteren van wegen in Brabant, Utrecht en Gelderland steeds verder van huis. Liever houdt hij zijn gezin in de buurt. Daarom zorgt het bedrijf voor een nieuwe woonwagen. Daarin trekken ze tot 1934 jarenlang door Nederland, het werk achterna.

En dat lijkt Piet kennelijk ook wel wat. Want op 14 juli 1931 duikt hij ineens op in Werkendam, komende uit Sprang Capelle. Volgens het bevolkingsregister is Piet dan eveneens machinist op een stoomwals, maar dan voor de Maatschappij Wegenbouw. En mooi dat ook hij met zijn vrouw en vijf kinderen verblijft in een woonwagen! Misschien heeft zijn broer een goed woordje voor hem gedaan?

Gezin Piet en Grarda van Veen in Tilburg

Na nog een omzwerving naar Dubbeldam (nu Dordrecht) in april 1932, Schiedam in 1933 en anderhalf jaar Rotterdam, vertrekt Piet met vrouw en kinderen naar Tilburg. Daar strijkt de familie neer in de Van Goorstraat 14. In september 1934 zijn ze terug in Rotterdam. Hij werkt er als chauffeur, walsmachinist en ‘luxe verhuur’. Wat dat laatste inhoudt, is niet helemaal duidelijk.

Waarschijnlijk gaat het om een trouwauto met chauffeur. Uit de verhalen is namelijk bekend dat Piet een taxibedrijf in Rotterdam had. Hij zou zijn eerste auto hebben gekocht van geld dat in de jaren dertig uit de erfenis van een nicht kwam. Zo kon hij voor zichzelf beginnen. Het bedrijf is later opgegaan in een groter bedrijf en de oudste zoon heeft daar ook gewerkt.

Piet van Veen staand

Volgens vertellingen waren ‘ome Piet en tante Grarda’ heel gezellige mensen. Hij was een klein mannetje en even dik als lang, terwijl Leonardus van Veen lang en slank was. Gerarda was groter dan haar man, maar ook behoorlijk stevig. Ze hielden van het goede leven.

Vermoedelijk hebben de twee broers elkaar aan werk geholpen: fietsen repareren, werk voor de tram en in de wegenbouw. Op latere leeftijd kwam Piet nog bij zijn oudere broer Leonardus op bezoek.

Na het overlijden van Gerarda in mei 1949 is Piet van Veen hertrouwd met Hermina Cornelia van Berkel. Hij ligt samen met zijn eerste vrouw Gerarda bij de Zijlpoort in Leiden begraven. Vlak bij hun geboortegrond. Piet overleed in 1962 in Noordwijkerhout, hoewel hij in Rotterdam woonde. In het graf liggen ook hun zoon Petrus Gerardus en dochter Gerarda Catharina van Veen. Ik heb deze oom van mijn vader nooit gekend, maar zal eens een bezoekje aan zijn laatste rustplaats brengen.

PS: Als Piet’s nakomelingen of anderen dit verhaal lezen en kunnen aanvullen, dan is informatie natuurlijk welkom.

Twee voorouders uit Colchester, Engeland

Engelse voorouders zijn een zeldzaamheid in mijn familie. Thomas Janszn Aernaert [van Wijk] en Maertge Salomons de Clerq vormen zo’n paar. Zij zijn in Colchester geboren en maken in hun jeugd de oversteek naar Holland. Daarna duiken ze op in Leiden, waar ze op 3 juli 1623 trouwen. Thomas en Maertge vormen de elfde generatie in de familietak Van Wijk. Maar zijn zij wel echt Engels? En wat was Colchester voor een stad in hun tijd?

Colchester heeft tot op de dag van vandaag een Dutch Quarter. Het was in 1565 en 1574 namelijk een toevluchtsoord voor Vlamingen. Deze mensen waren op de vlucht voor oorlog en ze werden vervolgd om hun protestantse geloof. Met hun modernere vakkennis bliezen ze nieuw leven in de kwakkelende lakenindustrie. Precies zoals hun naar Leiden uitgeweken land- en geloofsgenoten vanaf 1575 ook deden.

Maertge is vrij zeker een dochter van zulke naar Engeland gevluchte Vlamingen (en mogelijk Fransen). Van Thomas is de afkomst lastiger te duiden. Hij en zijn vader Jan Aernaert (wiens naam daar vast anders werd uitgesproken) staan niet op lijsten van bewoners in het Dutch Quarter. De jongensnaam Thomas is populair in Engeland, terwijl die bij Walen en Vlamingen zelden voor komt. Daarom neem ik vooralsnog aan dat zijn wortels echt in Essex liggen.

In 1998 bracht ik een weekend door in Colchester. De oude binnenstad en de glooiende omgeving zijn wel een bezoekje waard. Ik logeerde in het Red Lion Hotel, een historisch gebouw in vakwerkstijl. Compleet met witte muren, donkerbruine balken, glas-in-loodraampjes en vloerbedekking in de badkamer. Én met uitzicht op het Dutch Quarter.

De openbare bibliotheek bewaart er een collectie over de geschiedenis van de stad. Om een idee te geven van het leven in Colchester in de tijd van Thomas en Maertge, volgen hier passages met informatie.

The cloth industry of Colchester. B. Crawley, 1950. Vermelding: J.S. Burn, History of French, Dutch, Walloon and other Foreign Refugees Settled in England, 1846. Pagina 4: ‘There were already sixteen or eighteen Flemish aliens in Colchester in 1551, but the two main waves of settlement were in 1565 and 1574, when some five to seven hundred Dutch came to the town via Sandwich, possibly attracted by the strength of the non conformist church.’

The Cloyes-Dagwell Genealogy, Obetz. Vermoedelijk eigen uitgave, circa 1960.
‘In the 16th century, the Dissolution of the Monasteries greatly affected Colchester’s economics. There was a great recession in the weaving and cloth trade. However, salvation soon came with the great emigration of Protestant refugees (Frenchmen who had fled religious persecution and came to Flanders) who were again forced to leave Flanders, as they would not tolerate the brutality of the Duke of Alva’s Spanish Rule.

The ‘Flemings’, or Deutsch as they were locally referred to, were skilled makers of various types of cloth. Bays and Says, tapestry and brocade. They came to Britain at this critical period, settled in and around Colchester, (and other parts of Britain) where they firmly established their trades and stabilised the economy of the country. By the end of the century the products of the ‘Dutch Bay Hall’ in Colchester ware internationally famous.

Though the Flemings (Dutch and French) were protected by the Corporation and by the Privy Council, these useful settlers – whose industry had brought great wealth and prosperity to Colchester, and whose high moral conduct was worthy of imitation, became greatly annoyed by the conduct of the native British weavers. The British weavers had proffered indictments against the Flemings for fancied wrongs at two Sessions of the Peace.

James I., angry at the actions of the British, granted to the Flemings his Letters Patent, wherein he provided ‘that all strangers of the Dutch (Fleming) Congregation should henceforth peaceably and freely use their trade and enjoy all privileges, liberties and immunities, as had heretofore been allowed them.’

At this period, Colchester had become so populace that not one house remained unoccupied. It can be seen by the Census of 1573 how many of the families had doubled up and lived with relatives or friends. The following Account (Census) taken of the Dutch manufacturers was enumerated at 248, and with their wives, children and servants, numbered 1,023.’

The Flemish and Dutch Community in Colchester in the Sixteenth and Seventeenth Centuries, L.F. Roker. From: Proceedings of the Huguenot Society of London, vol. xxi, no. 1, 1966, pagina’s 15-30.
Over redenen voor animositeit tussen de autochtone bevolking en de Vlamingen (voornamelijk afkomstig uit Ieper, Nieuwkerke en omgeving):
‘The jealousy which appeared later among the local population, was caused partly because these seemingly harmless refugees were seen to have become rival craftsmen tot the local weavers, and, because of their skill, they were probably better craftsmen, consequently prospering. The Dutch did not mix easily with the local people, and, moreover, disapproved of those of their number who did. As an example, when Abraham de Horne married an English women, apparently the first of Dutch congregation in Colchester to do so, his fellow-countrymen it was said, could scarce be prevented from disowning or turning him out of their congregations.’

Geleidelijk werd de sfeer onaangenamer. Daarom besloot een deel van de Vlamingen om verder te trekken. Leiden stond bekend als een goed alternatief waar ze hun beroep zo konden oppakken. En misschien waren Thomas en Maertge wel zo’n verfoeid paar van gemixte komaf: ‘A good English bloke and one of these darn Flemish girls.’

Overige relevante literatuur in de openbare bibliotheek van Colchester.

  • Register of Baptisms in the Dutch Church at Colchester from 1545-1728, W.J.C. Moens, Huguenot Society of London, Q.S. xii. Boek met namenlijsten, uitgave 1905.
    In de index komen geen Salomon de Clerk, Rachel van der Walle, Cathalina Caerls of andere voorvaders of -moeders voor. Op pagina 106 staat een zekere John [Annoate, Annoot, Annot, or Annote].
  • The Victoria History of the county of Essex, vol. IX, Oxford Press, 1994.
    In the 1570s population of Colchester c. 4600, including 431 Dutch immigrants.
    In the 1620s population of Colchester c. 11000 including 1535 Dutch immigrants.
    Outbreaks of epidemic disease in (o.a.) 1569-70, 1586-7, 1597, 1603-4.
    77, table (deel) Occuptional structure 1580-1619 in Colchester.
    Textiles aantal 104, 26.4%, Clothing aantal 49, 12.4%, Food and drink aantal 52, 13.2%, Transport aantal 45, 11.4%, Housing aantal 18, 4.6% and Service aantal 27, 6.9%.
  • Guide to Colchester’s Dutch Quarter, Brian Bird. Geschiedbeschrijving vanaf het begin tot 1998 met een pagina tekst over de Vlamingen.

Zandschipper Jacobus van Veen

Van mijn voorouders is stamvader Jacobus van Veen de onbekendste. Hij is rond 1735 in Voorburg geboren en trouwt daar in 1762 met Catharina van Toulon. Jacobus is katholiek, zij is protestant. Voor hem geeft zij haar geloof op en dat zorgt al voor genoeg raadsels. Mogelijk heeft Jacobus altijd in Voorburg gewoond. Pas circa twintig jaar na zijn overlijden vertellen aanverwanten iets over zijn werk. Hij was bij leven onder meer zandschipper.

Het is een wankele basis, maar zandschippers genoeg in Voorburg. Volgens het Canon van Leidschendam-Voorburg waren er vooral na 1550 veel zandschippers actief. ‘In Voorburg ontstond zelfs een speciale zandschipperswijk, rond de Schoolstraat en de Kerkstraat. Ook de inwoners van Veur hielden zich bezig met het vervoer van zand, afkomstig van de oude strandwal. Dit werd gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van wegen, of om te vermengen met de zware kleigrond zodat de boeren dit beter konden bewerken.’

Het zand lag bij Voorburg voor het opscheppen dankzij een oude strandwal. Vervolgens kon men het makkelijk via de nabijgelegen Vliet over water vervoeren. Hoe dat transport er uit zag, toont een schilderij uit 1887 van Jozef Israëls. Het is aannemelijk dat ook Jacobus op deze manier het zand vervoerde.

Dit schilderij staat symbool voor ‘de zware tocht die het menselijk leven is’ (Bron en collectie: Rijksmuseum, foto KvV). Het gemengde huwelijk van Jacobus en Catharina werd in elk geval sterk afgekeurd door haar familie. Uiteindelijk krijgt het paar zeven kinderen, van wie er vier in Delft trouwen. Zijn ze als gezin naar die stad verhuisd? Het blijft een vraag.

Op 10 mei 1805 wordt in Voorburg ‘Aangeeving gedaan van het lijk van Jacobus van Veen A:z: Pro Deo.’ Als dit onze Jacobus is, dan is hij daar arm gestorven. Nog in 1857 vermelden twee ‘bedienaars ter begrafenis’ bij het overlijden van zijn dochter Maria in Delft dat Jacobus koetsier is geweest en dat hij in Voorburg is overleden. Maar tegen die tijd weet al niemand meer precies hoe en waar hij heeft geleefd.

PS: Heeft u meer informatie over dit gezin Van Veen (zie pdf vanaf pagina 43), dan is dat zeer welkom.

Uiterlijke gelijkenis gezin Van der Steen

Susanna Frederika van der Steen-Stouten

Al jaren hangt er een foto aan de muur van mijn betovergrootmoeder Susanna Frederika van der Steen-Stouten (1824 – 1913). Die moet ruim een eeuw geleden zijn gemaakt. Het is zo’n oude afbeelding in sepia tinten met een zilverkleurige waas. Waarschijnlijk van zilvernitraat. De lijst is diep, van donkerbruin hout en heeft goudkleurige binnenrand. Uit die periode zijn weinig familiefoto’s bewaard. Terwijl het toch leuk is om te weten of gezinsleden een beetje op elkaar leken.

Suzanna is op de foto al duidelijk op leeftijd. (Klik eventueel op de foto voor een vergroting.) Dat zie je aan haar gezicht en de plukjes grijs haar vanonder haar donkere muts. Ze draagt hoog gesloten donkere kleding van glanzende stof en zit aan tafel met een dik boek. Een bijbel wellicht. Haar handen zijn gerimpeld, die hebben heel wat werk verricht. Over haar leesbrilletje heen kijkt ze met vrij grote ogen uit het raam.

Jacobus van der Steen

In haar jonge jaren werkt Susanna Frederika Stouten als naaister. Op 28 november 1849 trouwt ze met timmerman Jan Willem van der Steen (1824 – 1899). Ze zullen hun hele leven in Leiden doorbrengen en zes kinderen krijgen. Zoon Jacobus is mijn overgrootvader. Hij is precies zeven jaar na hun huwelijksdag geboren in 1856. Na vier jongens volgt een meisje dat vroeg overlijdt. Als laatste komt dochter Maria Catharina van der Steen op 3 juli 1865 ter wereld. Maria trouwt in 1889 met de behanger Pieter Marinus Hendrikus Nolet en verhuist later naar Delft.

Echtpaar Pieter Nolet – Maria Catharina van der Steen

Van dochter Maria Catharina is ook een foto bewaard gebleven. Zij staat als jong volwassen vrouw met haar man op de foto. Eenmaal bij elkaar wordt de gelijkenis tussen de moeder, de zoon en de dochter zichtbaar. Kijk maar naar hun jukbeenderen en hun ogen.

Met dank aan Ruud Nolet, die de foto van zijn grootouders Nolet-Van der Steen welwillend ter beschikking heeft gesteld.

Een kast uit het meubelmagazijn van Willem Frederik Poptie

Wie had dat gedacht: onlangs dook er een nog onbekend meubelstuk op van de familie Poptie. Al jaren bezit ik enkele antieke meubels. Die komen uit de werkplaats van mijn overgrootvader Jacobus van der Steen (1856 – 1942). Hij was een Leidse meubelmaker die biljarttafels en andere houten meubels fabriceerde. Jacobus trouwde met Petronella ‘Pietje’ Susanna Poptie (1858 – 1944). Haar jongere broer Nicolaas Frans Gerrit Poptie (1862 – 1953) was ook meubelmaker in Leiden.

Nicolaas heeft een meubelzaak op de Haarlemmerstraat. Deze blijft wel drie generaties lang in de familie. Als oudste zoon neemt Willem Frederik Poptie (1886 – 1955) de winkel of ‘het meubelmagazijn’ over. Het leuke is dat uit zijn tijd nu een kast is opgedoken. Die is bovendien te koop!

Martijn Schreiner is de huidige eigenaar. Hij kocht deze fraaie kast met spiegel rond 1990 van een kledingwinkeltje in Rijswijk. Zelfs het originele plaatje van meubelzaak Poptie zit er nog op. Martijn bracht de kast naar zijn woning in de Melemstraat in Voorburg. Vervolgens verhuisde dit meubel met het gezin mee naar de Leidse Genestetstraat. Nota bene de stad waar het ooit splinternieuw stond te pronken.

In maart 2006 verhuisde het meubel opnieuw en nu staat het in Voorschoten. Daar deed het jarenlang dienst als kledingkast voor Martijn’s dochter. Hij schrijft: ‘Door veranderingen in ons huis is het meubel eigenlijk nu overbodig geworden.’ Mocht iemand interesse hebben in een heus familiestuk, neem dan snel contact op via e-mail martijn@schreiner.nu. Het zou toch mooi zijn als dit meubel in de familie blijft.

(Klik eventueel op de foto’s voor een vergroting.)

Lees meer over de geschiedenis van de meubelzaak in Brand legt Leidse meubelzaak Poptie in as.