Tagarchief: stoomwalsmachinist

Opa Leen en zijn broer Piet van Veen

Mijn opa van vaderskant, Leonardus ‘Leen’ van Veen (1888-1969), vertelde vroeger weinig over zijn familie. Maar zijn jongere broer Piet (1893-1962) kwam wel over de vloer. Opa is de vijfde van zes kinderen. Het gezin waarin hij opgroeit, wordt flink door kindersterfte getroffen. Zie generatie 3 Van Veen. Alleen opa zelf, zijn zus Johanna Maria ‘Anna’ van Veen en zijn broer Petrus ‘Piet’ van Veen worden volwassen. Toen opa veertig werd in 1928, waren Anna en de ouders ook al overleden. Vanaf dat jaar zijn de twee broers op elkaar aangewezen. Ze maakten twee oorlogen en de crisisjaren mee, en hielpen elkaar een beetje.

Na een verblijf in Den Haag, trekt Leen op 29 september 1909 in bij zijn ouders op het adres Morsstraat 42 in Leiden. Hij vertrekt op 18 februari 1911 weer naar de Hofstad, in januari 1913 gevolgd door zijn broer Piet. Leen woont in de Haagse stationsbuurt is dan rijwielhersteller van beroep.

Het volgende wapenfeit van Piet is zijn huwelijk op 12 oktober 1916 met Gerarda Catharina ‘Grarda’ Verlaan, een meisje van twintig jaar uit Voorhout. Toevallig komt daar ook zijn broers tweede vrouw Cornelia Kortekaas vandaan. Piet is 22 jaar oud, eveneens rijwielhersteller van beroep en hij woont dan weer in Leiden. Broer Leen van Veen en Johannes de Groot, de man van zus Anna van Veen, zijn getuige bij het huwelijk. Deze twee heren wonen met hun echtgenotes in Den Haag.

Tijdens ‘de oorlog’ (vermoedelijk de Eerste Wereldoorlog) werkt Leonardus van Veen voor de Blauwe Tram. Dat was de tramdienst van Den Haag naar Leiden. Hij werkt in de remise als onderhouds­monteur in Voorburg. Toeval of niet, broer Piet is tegelijkertijd trambestuurder of –conducteur.

Piet en Grarda krijgen tussen 1917 en 1928 gezinsuitbreiding: drie zonen en drie meisjes, waarvan er een (Francisca) jong overlijdt. De kinderen zijn allemaal in Leiden geboren, behalve de tweede zoon. Die kwam in 1919 in Zoeterwoude ter wereld. Het lijkt zo wel alsof ze in de buurt van Leiden blijven wonen, maar niets is minder waar.

In maart 1917 verhuist Piet samen met zijn vrouw en oudste zoon vanuit Den Haag naar Roosendaal. Daar is hij als militair ingekwartierd. Een half jaar later vertrekken ze naar het adres Coehoornpark 24 in Bergen op Zoom. Nog een half jaar later, in april 1918, keert het gezin terug naar Leiden. Daar pakt Piet zijn beroep als rijwielhersteller weer op. Ze wonen in de Van der Werffstraat en in de Caeliliastraat.

Leonardus van Veen met stoomwals

Leonardus van Veen wisselt intussen enkele malen van beroep. In 1928 gaat hij aan de slag als stoomwalsmachinist voor de Hollandsche Beton My. Alleen moet hij voor het asfalteren van wegen in Brabant, Utrecht en Gelderland steeds verder van huis. Liever houdt hij zijn gezin in de buurt. Daarom zorgt het bedrijf voor een nieuwe woonwagen. Daarin trekken ze tot 1934 jarenlang door Nederland, het werk achterna.

En dat lijkt Piet kennelijk ook wel wat. Want op 14 juli 1931 duikt hij ineens op in Werkendam, komende uit Sprang Capelle. Volgens het bevolkingsregister is Piet dan eveneens machinist op een stoomwals, maar dan voor de Maatschappij Wegenbouw. En mooi dat ook hij met zijn vrouw en vijf kinderen verblijft in een woonwagen! Misschien heeft zijn broer een goed woordje voor hem gedaan?

Gezin Piet en Grarda van Veen in Tilburg

Na nog een omzwerving naar Dubbeldam (nu Dordrecht) in april 1932, Schiedam in 1933 en anderhalf jaar Rotterdam, vertrekt Piet met vrouw en kinderen naar Tilburg. Daar strijkt de familie neer in de Van Goorstraat 14. In september 1934 zijn ze terug in Rotterdam. Hij werkt er als chauffeur, walsmachinist en ‘luxe verhuur’. Wat dat laatste inhoudt, is niet helemaal duidelijk.

Waarschijnlijk gaat het om een trouwauto met chauffeur. Uit de verhalen is namelijk bekend dat Piet een taxibedrijf in Rotterdam had. Hij zou zijn eerste auto hebben gekocht van geld dat in de jaren dertig uit de erfenis van een nicht kwam. Zo kon hij voor zichzelf beginnen. Het bedrijf is later opgegaan in een groter bedrijf en de oudste zoon heeft daar ook gewerkt.

Piet van Veen staand

Volgens vertellingen waren ‘ome Piet en tante Grarda’ heel gezellige mensen. Hij was een klein mannetje en even dik als lang, terwijl Leonardus van Veen lang en slank was. Gerarda was groter dan haar man, maar ook behoorlijk stevig. Ze hielden van het goede leven.

Vermoedelijk hebben de twee broers elkaar aan werk geholpen: fietsen repareren, werk voor de tram en in de wegenbouw. Op latere leeftijd kwam Piet nog bij zijn oudere broer Leonardus op bezoek.

Na het overlijden van Gerarda in mei 1949 is Piet van Veen hertrouwd met Hermina Cornelia van Berkel. Hij ligt samen met zijn eerste vrouw Gerarda bij de Zijlpoort in Leiden begraven. Vlak bij hun geboortegrond. Piet overleed in 1962 in Noordwijkerhout, hoewel hij in Rotterdam woonde. In het graf liggen ook hun zoon Petrus Gerardus en dochter Gerarda Catharina van Veen. Ik heb deze oom van mijn vader nooit gekend, maar zal eens een bezoekje aan zijn laatste rustplaats brengen.

PS: Als Piet’s nakomelingen of anderen dit verhaal lezen en kunnen aanvullen, dan is informatie natuurlijk welkom.

Op bezoek bij oma Van Veen

Oma Van Veen (Cornelia Kortekaas, 1888-1988) zat altijd rechts aan de eettafel bij het raam in haar kamer. Vlak naast de vensterbank. Misschien stonden er ook geraniums op. Het was een stevige vrouw die moeizaam liep met een stok. Ze had ooit haar heup gebroken. In die tijd, we praten over de jaren zestig, gingen ouderen dan al snel naar het bejaardenhuis. Daar werd er voor hen gezorgd. Ik kan mij niet anders herinneren dan dat oma er zat. Zij vond het wel best, vermoed ik. Want ze had in haar leven hard gewerkt en een flinke kinderschare grootgebracht.

Ik kwam op zaterdag regelmatig bij haar langs. Dan kreeg ik dampende thee met een kaakje erbij. Even in de thee dopen en dan gauw in je mond stoppen. Anders valt het natte stukje eraf. Ze vroeg waarschijnlijk hoe het ging op school. Zelf beleefde ze niet veel. Het liefste bracht ze haar dagen door bij het raam. Waar ze vaak wegsoesde tot er iemand kwam.

Op zaterdagen moest ik wat boodschapjes voor haar halen. Het waren enigszins verplichte bezoeken en ik vond het een beetje saai. Zij was toen al hoogbejaard. Het leeftijdsverschil was zo groot, onze werelden zo verschillend. Niet veel later werd zij dement. Maar mijn beperkte persoonlijke herinneringen doen haar totaal geen recht.

Ik vroeg eens wat zij de mooiste periode in haar leven vond. En zij vertelde dat het de tijd was waarin zij met het gezin rondreisde in de woonwagen. Door Nederland, achter het werk van haar man aan. Want opa was stoomwalsmachinist en hij werkte in de wegenbouw.

Voor haar als dorpsmeisje uit het kleine Voorhout ging er een wereld open. Waarschijnlijk was nog niemand in haar familie zo ver weg geweest. Opa en oma trokken met hun kinderen jarenlang door Brabant, Gelderland en Utrecht. Onderweg zagen ze van alles. Het was behelpen in de krappe ruimte, maar oma hield het huishouden draaiende. Voor bevallingen verbleef ze steeds tijdelijk in Leiden, terwijl de jongste kinderen bij familie werden ondergebracht. Opa moest namelijk door met zijn werk. Daarna keerden ze weer terug naar de woonwagen.

Kijk, een oma die van avontuur en reizen houdt. Daar ben ik trots op.

Wat ze deden voor de kost

Hout, verf, staal en elektriciteitskabels. Daarmee werkten mijn vader en ooms om de kost te verdienen. Hun beroepen getuigen van technisch inzicht en een praktische instelling. Als kinderen van hun tijd hadden mijn tantes vooral zorgtaken. Dat vertelt ons minder dan de beroepskeuzes van de mannen. Zou er een verband zijn met de keuzes die hun voorvaders maakten?

Opa Leonardus van Veen op de motor van oom Ton Bredewold

Opa Leonardus van Veen op de motor van oom Ton Bredewold

Opa Leonardus van Veen werkt met voertuigen en staal. Zo is hij smid, rijwielreparateur en stallinghouder bij station Hollands Spoor in Den Haag. Daarna wordt hij mestschipper, fietsenmaker en stoomwalsmachinist. Nog later is hij onderhoudsmonteur in de remise van de Blauwe Tram. En thuis bouwt hij roeiboten. Die man kon kennelijk met elk vervoermiddel overweg. Hij maakt ook tollen en hoepels voor zijn kinderen en verbouwt zelf groenten.

Zijn vader, weer een Leonardus, is arbeider en melkverkoper. Hij doet ongeschoold werk. Diens vader Anthonie van Veen stierf al toen hij nog een baby was. Anders had hij vast beter werk gehad. Want Anthonie was logement en stalhouder, én meester wagenmaker. Hij laat als rijtuigen een ‘vigilant’, een speelwagen, een ‘tilberie’ (tilbury) en een wagentje na. Kijk, daar hebben we de techniek en de voertuigen weer.

Nog een generatie verder stuiten we op Adrianus van Veen. Adrianus is lakenwerker, portier van de Koepoort in Delft, brandersknecht (jenever) en wolwasser. Tijdens zijn leven gaat het in Holland economisch slecht. Daarom pakt hij alles aan om zijn brood te verdienen. Juist met brood bakken schopt één van zijn zoons het ver. Die wordt, omgerekend naar huidige bedragen, miljonair.

Tot besluit is daar Jacobus van Veen, die met Catharina van Toulon in Voorburg woont. Hij is van beroep (zand)schipper en koetsier. Zo komen we opnieuw uit bij vervoermiddelen en kennis van techniek. Want als er onderweg iets kapot gaat, moet hij het kunnen repareren. Blijkbaar hebben mijn vader en ooms hun handigheid en technische inzicht niet van vreemden.