Tagarchief: Leiden

Met 3 oktober 1574 nog vers in het geheugen

Bij veel Leidenaren begint het nu te kriebelen, want het is bijna 3 oktober. Op die dag werd Leiden in de Tachtigjarige Oorlog na de tweede Spaanse belegering ontzet, 444 jaar geleden. Dit wordt nog altijd groots gevierd. Van een reële dreiging is nu geen sprake meer. Hoe anders was dat toen voorvader Joris Claeszn Focker (circa 1540 – 1583) leefde. Hij was biertapper en schoenmaker van beroep, maar ook schutter in 1580. Want de vijand sliep nooit en de stad moest dag en nacht worden bewaakt.

Met de ontberingen van pest en honger vers in het geheugen, verwacht je dat stadswachten constant alert zijn. Toch is hun aandacht vier jaar later alweer verslapt. Zo kan het niet langer! In 1580 grijpen de schout en de heren burgemeesters in. Zij stellen een flinke verordening op. Die leest de stadsomroeper op de Breestraat voor aan het toegestroomde volk.

Vrij hertaald is er sprake van wanorde en een slappe uitvoering van taken. De schutters tonen onvoldoende vlijt en trouw, terwijl dit een verschuldigde plicht is. De wachters zijn een stelletje slabakken en laten de boel maar versloffen. ‘Terwijl we met het verlies van de stad ook allemaal ons lijf en goed verliezen. En weet dat de listige vijand niet slaapt. Die zal ervan profiteren om het hele land te bederven en dorpen te verwoesten en de goede vrome en trouwe onderdanen met vrouwen en kinderen te vermoorden en verjagen. Ja, deze vijand zal de achterblijvenden in een eeuwige slavernij en knechtschap houden.’ Als dat niet afschrikt, weet ik het ook niet meer.

In 1580 nemen de stadsbestuurders maatregelen. Het aantal nachtwachten wordt vergroot. Vanaf dan hoeven zij slechts een keer per twaalf dagen in plaats van per acht te komen. Let wel: deze burgertaak verrichten de mannen na hun lange en zware werkdag. Geen wonder dat er af en toe eentje in slaap valt. Ook wordt de informatievoorziening over de diensten verbeterd. Wie ziek is of verhinderd, moet dat tijdig komen melden en een plaatsvervanger sturen of betalen. Huurlingen kosten vier stuivers de man.

De stadsomroeper rept verder over diensttijden en werkafspraken. Zo moeten de sleutels van de stad bijvoorbeeld elke nacht worden bewaard op het stadhuis. Vroedschappen, kapiteins, nachtwachten, portiers, boden en schutters zijn hierbij betrokken. Ze hebben allemaal een specifieke rol in de bewaking en verdediging van hun stad.

Voorvader Joris Claeszn Focker woont in 1580 op de hoek van de Hogewoerd bij de Karnemelksbrug en het Gangetje. Hij valt als schutter onder rotmeester Jacob Spruijt in de buurt Gansoord. Hoe hij over zijn burgerplicht dacht, kunnen we slechts raden. Maar hij heeft op 3 oktober vast jaarlijks aan de gebeurtenissen in 1574 teruggedacht.

De volledige tekst uit het Leidse aflezingenboek van 22 november 1580 vindt u op pagina 39-41 van het pdf-document De familie Focker deel I.

(Bron afbeelding: Erfgoed Leiden en Omstreken, kopergravure uit begin 17de eeuw, voorstellend het

Opa Leen en zijn broer Piet van Veen

Mijn opa van vaderskant, Leonardus ‘Leen’ van Veen (1888-1969), vertelde vroeger weinig over zijn familie. Maar zijn jongere broer Piet (1893-1962) kwam wel over de vloer. Opa is de vijfde van zes kinderen. Het gezin waarin hij opgroeit, wordt flink door kindersterfte getroffen. Zie generatie 3 Van Veen. Alleen opa zelf, zijn zus Johanna Maria ‘Anna’ van Veen en zijn broer Petrus ‘Piet’ van Veen worden volwassen. Toen opa veertig werd in 1928, waren Anna en de ouders ook al overleden. Vanaf dat jaar zijn de twee broers op elkaar aangewezen. Ze maakten twee oorlogen en de crisisjaren mee, en hielpen elkaar een beetje.

Na een verblijf in Den Haag, trekt Leen op 29 september 1909 in bij zijn ouders op het adres Morsstraat 42 in Leiden. Hij vertrekt op 18 februari 1911 weer naar de Hofstad, in januari 1913 gevolgd door zijn broer Piet. Leen woont in de Haagse stationsbuurt is dan rijwielhersteller van beroep.

Het volgende wapenfeit van Piet is zijn huwelijk op 12 oktober 1916 met Gerarda Catharina ‘Grarda’ Verlaan, een meisje van twintig jaar uit Voorhout. Toevallig komt daar ook zijn broers tweede vrouw Cornelia Kortekaas vandaan. Piet is 22 jaar oud, eveneens rijwielhersteller van beroep en hij woont dan weer in Leiden. Broer Leen van Veen en Johannes de Groot, de man van zus Anna van Veen, zijn getuige bij het huwelijk. Deze twee heren wonen met hun echtgenotes in Den Haag.

Tijdens ‘de oorlog’ (vermoedelijk de Eerste Wereldoorlog) werkt Leonardus van Veen voor de Blauwe Tram. Dat was de tramdienst van Den Haag naar Leiden. Hij werkt in de remise als onderhouds­monteur in Voorburg. Toeval of niet, broer Piet is tegelijkertijd trambestuurder of –conducteur.

Piet en Grarda krijgen tussen 1917 en 1928 gezinsuitbreiding: drie zonen en drie meisjes, waarvan er een (Francisca) jong overlijdt. De kinderen zijn allemaal in Leiden geboren, behalve de tweede zoon. Die kwam in 1919 in Zoeterwoude ter wereld. Het lijkt zo wel alsof ze in de buurt van Leiden blijven wonen, maar niets is minder waar.

In maart 1917 verhuist Piet samen met zijn vrouw en oudste zoon vanuit Den Haag naar Roosendaal. Daar is hij als militair ingekwartierd. Een half jaar later vertrekken ze naar het adres Coehoornpark 24 in Bergen op Zoom. Nog een half jaar later, in april 1918, keert het gezin terug naar Leiden. Daar pakt Piet zijn beroep als rijwielhersteller weer op. Ze wonen in de Van der Werffstraat en in de Caeliliastraat.

Leonardus van Veen met stoomwals

Leonardus van Veen wisselt intussen enkele malen van beroep. In 1928 gaat hij aan de slag als stoomwalsmachinist voor de Hollandsche Beton My. Alleen moet hij voor het asfalteren van wegen in Brabant, Utrecht en Gelderland steeds verder van huis. Liever houdt hij zijn gezin in de buurt. Daarom zorgt het bedrijf voor een nieuwe woonwagen. Daarin trekken ze tot 1934 jarenlang door Nederland, het werk achterna.

En dat lijkt Piet kennelijk ook wel wat. Want op 14 juli 1931 duikt hij ineens op in Werkendam, komende uit Sprang Capelle. Volgens het bevolkingsregister is Piet dan eveneens machinist op een stoomwals, maar dan voor de Maatschappij Wegenbouw. En mooi dat ook hij met zijn vrouw en vijf kinderen verblijft in een woonwagen! Misschien heeft zijn broer een goed woordje voor hem gedaan?

Gezin Piet en Grarda van Veen in Tilburg

Na nog een omzwerving naar Dubbeldam (nu Dordrecht) in april 1932, Schiedam in 1933 en anderhalf jaar Rotterdam, vertrekt Piet met vrouw en kinderen naar Tilburg. Daar strijkt de familie neer in de Van Goorstraat 14. In september 1934 zijn ze terug in Rotterdam. Hij werkt er als chauffeur, walsmachinist en ‘luxe verhuur’. Wat dat laatste inhoudt, is niet helemaal duidelijk.

Waarschijnlijk gaat het om een trouwauto met chauffeur. Uit de verhalen is namelijk bekend dat Piet een taxibedrijf in Rotterdam had. Hij zou zijn eerste auto hebben gekocht van geld dat in de jaren dertig uit de erfenis van een nicht kwam. Zo kon hij voor zichzelf beginnen. Het bedrijf is later opgegaan in een groter bedrijf en de oudste zoon heeft daar ook gewerkt.

Piet van Veen staand

Volgens vertellingen waren ‘ome Piet en tante Grarda’ heel gezellige mensen. Hij was een klein mannetje en even dik als lang, terwijl Leonardus van Veen lang en slank was. Gerarda was groter dan haar man, maar ook behoorlijk stevig. Ze hielden van het goede leven.

Vermoedelijk hebben de twee broers elkaar aan werk geholpen: fietsen repareren, werk voor de tram en in de wegenbouw. Op latere leeftijd kwam Piet nog bij zijn oudere broer Leonardus op bezoek.

Na het overlijden van Gerarda in mei 1949 is Piet van Veen hertrouwd met Hermina Cornelia van Berkel. Hij ligt samen met zijn eerste vrouw Gerarda bij de Zijlpoort in Leiden begraven. Vlak bij hun geboortegrond. Piet overleed in 1962 in Noordwijkerhout, hoewel hij in Rotterdam woonde. In het graf liggen ook hun zoon Petrus Gerardus en dochter Gerarda Catharina van Veen. Ik heb deze oom van mijn vader nooit gekend, maar zal eens een bezoekje aan zijn laatste rustplaats brengen.

PS: Als Piet’s nakomelingen of anderen dit verhaal lezen en kunnen aanvullen, dan is informatie natuurlijk welkom.

Twee voorouders uit Colchester, Engeland

Engelse voorouders zijn een zeldzaamheid in mijn familie. Thomas Janszn Aernaert [van Wijk] en Maertge Salomons de Clerq vormen zo’n paar. Zij zijn in Colchester geboren en maken in hun jeugd de oversteek naar Holland. Daarna duiken ze op in Leiden, waar ze op 3 juli 1623 trouwen. Thomas en Maertge vormen de elfde generatie in de familietak Van Wijk. Maar zijn zij wel echt Engels? En wat was Colchester voor een stad in hun tijd?

Colchester heeft tot op de dag van vandaag een Dutch Quarter. Het was in 1565 en 1574 namelijk een toevluchtsoord voor Vlamingen. Deze mensen waren op de vlucht voor oorlog en ze werden vervolgd om hun protestantse geloof. Met hun modernere vakkennis bliezen ze nieuw leven in de kwakkelende lakenindustrie. Precies zoals hun naar Leiden uitgeweken land- en geloofsgenoten vanaf 1575 ook deden.

Maertge is vrij zeker een dochter van zulke naar Engeland gevluchte Vlamingen (en mogelijk Fransen). Van Thomas is de afkomst lastiger te duiden. Hij en zijn vader Jan Aernaert (wiens naam daar vast anders werd uitgesproken) staan niet op lijsten van bewoners in het Dutch Quarter. De jongensnaam Thomas is populair in Engeland, terwijl die bij Walen en Vlamingen zelden voor komt. Daarom neem ik vooralsnog aan dat zijn wortels echt in Essex liggen.

In 1998 bracht ik een weekend door in Colchester. De oude binnenstad en de glooiende omgeving zijn wel een bezoekje waard. Ik logeerde in het Red Lion Hotel, een historisch gebouw in vakwerkstijl. Compleet met witte muren, donkerbruine balken, glas-in-loodraampjes en vloerbedekking in de badkamer. Én met uitzicht op het Dutch Quarter.

De openbare bibliotheek bewaart er een collectie over de geschiedenis van de stad. Om een idee te geven van het leven in Colchester in de tijd van Thomas en Maertge, volgen hier passages met informatie.

The cloth industry of Colchester. B. Crawley, 1950. Vermelding: J.S. Burn, History of French, Dutch, Walloon and other Foreign Refugees Settled in England, 1846. Pagina 4: ‘There were already sixteen or eighteen Flemish aliens in Colchester in 1551, but the two main waves of settlement were in 1565 and 1574, when some five to seven hundred Dutch came to the town via Sandwich, possibly attracted by the strength of the non conformist church.’

The Cloyes-Dagwell Genealogy, Obetz. Vermoedelijk eigen uitgave, circa 1960.
‘In the 16th century, the Dissolution of the Monasteries greatly affected Colchester’s economics. There was a great recession in the weaving and cloth trade. However, salvation soon came with the great emigration of Protestant refugees (Frenchmen who had fled religious persecution and came to Flanders) who were again forced to leave Flanders, as they would not tolerate the brutality of the Duke of Alva’s Spanish Rule.

The ‘Flemings’, or Deutsch as they were locally referred to, were skilled makers of various types of cloth. Bays and Says, tapestry and brocade. They came to Britain at this critical period, settled in and around Colchester, (and other parts of Britain) where they firmly established their trades and stabilised the economy of the country. By the end of the century the products of the ‘Dutch Bay Hall’ in Colchester ware internationally famous.

Though the Flemings (Dutch and French) were protected by the Corporation and by the Privy Council, these useful settlers – whose industry had brought great wealth and prosperity to Colchester, and whose high moral conduct was worthy of imitation, became greatly annoyed by the conduct of the native British weavers. The British weavers had proffered indictments against the Flemings for fancied wrongs at two Sessions of the Peace.

James I., angry at the actions of the British, granted to the Flemings his Letters Patent, wherein he provided ‘that all strangers of the Dutch (Fleming) Congregation should henceforth peaceably and freely use their trade and enjoy all privileges, liberties and immunities, as had heretofore been allowed them.’

At this period, Colchester had become so populace that not one house remained unoccupied. It can be seen by the Census of 1573 how many of the families had doubled up and lived with relatives or friends. The following Account (Census) taken of the Dutch manufacturers was enumerated at 248, and with their wives, children and servants, numbered 1,023.’

The Flemish and Dutch Community in Colchester in the Sixteenth and Seventeenth Centuries, L.F. Roker. From: Proceedings of the Huguenot Society of London, vol. xxi, no. 1, 1966, pagina’s 15-30.
Over redenen voor animositeit tussen de autochtone bevolking en de Vlamingen (voornamelijk afkomstig uit Ieper, Nieuwkerke en omgeving):
‘The jealousy which appeared later among the local population, was caused partly because these seemingly harmless refugees were seen to have become rival craftsmen tot the local weavers, and, because of their skill, they were probably better craftsmen, consequently prospering. The Dutch did not mix easily with the local people, and, moreover, disapproved of those of their number who did. As an example, when Abraham de Horne married an English women, apparently the first of Dutch congregation in Colchester to do so, his fellow-countrymen it was said, could scarce be prevented from disowning or turning him out of their congregations.’

Geleidelijk werd de sfeer onaangenamer. Daarom besloot een deel van de Vlamingen om verder te trekken. Leiden stond bekend als een goed alternatief waar ze hun beroep zo konden oppakken. En misschien waren Thomas en Maertge wel zo’n verfoeid paar van gemixte komaf: ‘A good English bloke and one of these darn Flemish girls.’

Overige relevante literatuur in de openbare bibliotheek van Colchester.

  • Register of Baptisms in the Dutch Church at Colchester from 1545-1728, W.J.C. Moens, Huguenot Society of London, Q.S. xii. Boek met namenlijsten, uitgave 1905.
    In de index komen geen Salomon de Clerk, Rachel van der Walle, Cathalina Caerls of andere voorvaders of -moeders voor. Op pagina 106 staat een zekere John [Annoate, Annoot, Annot, or Annote].
  • The Victoria History of the county of Essex, vol. IX, Oxford Press, 1994.
    In the 1570s population of Colchester c. 4600, including 431 Dutch immigrants.
    In the 1620s population of Colchester c. 11000 including 1535 Dutch immigrants.
    Outbreaks of epidemic disease in (o.a.) 1569-70, 1586-7, 1597, 1603-4.
    77, table (deel) Occuptional structure 1580-1619 in Colchester.
    Textiles aantal 104, 26.4%, Clothing aantal 49, 12.4%, Food and drink aantal 52, 13.2%, Transport aantal 45, 11.4%, Housing aantal 18, 4.6% and Service aantal 27, 6.9%.
  • Guide to Colchester’s Dutch Quarter, Brian Bird. Geschiedbeschrijving vanaf het begin tot 1998 met een pagina tekst over de Vlamingen.

Een kast uit het meubelmagazijn van Willem Frederik Poptie

Wie had dat gedacht: onlangs dook er een nog onbekend meubelstuk op van de familie Poptie. Al jaren bezit ik enkele antieke meubels. Die komen uit de werkplaats van mijn overgrootvader Jacobus van der Steen (1856 – 1942). Hij was een Leidse meubelmaker die biljarttafels en andere houten meubels fabriceerde. Jacobus trouwde met Petronella ‘Pietje’ Susanna Poptie (1858 – 1944). Haar jongere broer Nicolaas Frans Gerrit Poptie (1862 – 1953) was ook meubelmaker in Leiden.

Nicolaas heeft een meubelzaak op de Haarlemmerstraat. Deze blijft wel drie generaties lang in de familie. Als oudste zoon neemt Willem Frederik Poptie (1886 – 1955) de winkel of ‘het meubelmagazijn’ over. Het leuke is dat uit zijn tijd nu een kast is opgedoken. Die is bovendien te koop!

Martijn Schreiner is de huidige eigenaar. Hij kocht deze fraaie kast met spiegel rond 1990 van een kledingwinkeltje in Rijswijk. Zelfs het originele plaatje van meubelzaak Poptie zit er nog op. Martijn bracht de kast naar zijn woning in de Melemstraat in Voorburg. Vervolgens verhuisde dit meubel met het gezin mee naar de Leidse Genestetstraat. Nota bene de stad waar het ooit splinternieuw stond te pronken.

In maart 2006 verhuisde het meubel opnieuw en nu staat het in Voorschoten. Daar deed het jarenlang dienst als kledingkast voor Martijn’s dochter. Hij schrijft: ‘Door veranderingen in ons huis is het meubel eigenlijk nu overbodig geworden.’ Mocht iemand interesse hebben in een heus familiestuk, neem dan snel contact op via e-mail martijn@schreiner.nu. Het zou toch mooi zijn als dit meubel in de familie blijft.

(Klik eventueel op de foto’s voor een vergroting.)

Lees meer over de geschiedenis van de meubelzaak in Brand legt Leidse meubelzaak Poptie in as.

Het leven van een Leidse arbeider in 1890 bij Gebrs Van Wijk en Co.

In 1890 houdt een Staatscommissie een enquête onder werknemers in Leiden over hun zware arbeids- en leefomstandigheden. Bij hoge uitzondering komen fabrieksarbeiders hierdoor zelf aan het woord. Waaronder medewerkers van de dekenfabriek van de Gebroeders Van Wijk & Co. (Deze gebroeders zijn nakomelingen van voorvader Dirk van Wijk.) Het verslag bevat zeer interessante details over werktijden en beloning. Maar we lezen ook over het eenvoudige leven van de mensen thuis. Zij vertellen zelfs wat zij aten en hoe zij hun vrije tijd doorbrachten.

In het document Generatie 06 tm 08 Van Wijk vindt u vanaf pagina 59 meerdere interviews in vraag- en antwoordstijl. De 53-jarige dekenwerker Herman Stol geeft ons hieronder alvast een mooi inkijkje in zijn leven. Hij verdient per week ƒ 7. Ter vergelijking: de fabriekseigenaren geven als jaarinkomens over 1890 ƒ 5.500 tot ƒ 10.500 op aan de Belastingdienst.

Ingekort verhoor van Herman Stol, oud 53 jaar, dekenwerker bij de Gebrs. Van Wijk & Co., te Leiden.

  • Sedert hoelang werkt gij bij de Gebrs. Van Wijk? Sinds 30 jaar.
  • Waar hebt gij vroeger gewerkt? Bij Van Heukelom.
  • Op welken leeftijd zijt gij gaan werken? Op mijn zevende jaar.
  • Zijt gij nooit op school geweest? Jawel, tot mijn zevende jaar, later ben ik nog bij een meester aan huis geweest, maar ik heb geen begrip kunnen krijgen van lezen en schrijven.
  • Kunt gij den Bijbel dan niet lezen? Neen.
  • Hebt gij kinderen? Ja, zeven.
  • Zijn er daaronder, die werken? Een is getrouwd, een is er in Indië en dan heb ik nog vijf meisjes thuis, waarvan er twee werken op de fabriek van Krantz en twee op de weeverij van de Katoenmaatschappij. Een heeft er gediend.
  • Op welken leeftijd zijn die meisjes gaan werken? Onmiddellijk na hun twaalfde jaar.
  • Zijn zij ook de openbare school geweest? Neen op de Christelijke school.
  • Hebben zij een getuigschrift gekregen, dat zij de school geheel doorloopen hadden? Niet allen.
  • Vond gij het niet jammer, ze van de school te moeten nemen, voor zij die geheel doorloopen hadden? Ja, maar wanneer men een groot huisgezin heeft, tracht men de kinderen zoo spoedig mogelijk iets te laten verdienen.
  • Kunnen die kinderen allen goed lezen? Ja.
  • Hoe lang wordt er bij de heeren Van Wijk gewerkt? Ik werk van 5 ½ ’s morgens tot 8 uur ’s avonds, behalve de rusttijden.
  • Waarom begint gij vroeger en gaat gij later weg, dan overigens in die fabriek geschiedt? Omdat de anderen werken, zoolang de fabriek loopt, dat is van zessen tot zevenen.
  • Hoe lang werkt gij in het geheel na aftrek van de rusttijden? 12 ½ uur.
  • Wat verdient gij? Door de bank ƒ 7,00.
  • Wat is uw werk? Wij staan dekens te strijken, zoolang tot het stuk klaar is, dan doen wij weer iets anders, zooals spoelen, zwavelen, drogen, enz.
  • Waar gebeurt het spoelen? In de fabriek. Het geschiedt in bakken, die op den grond staan, waardoor altijd versch water gaat en het vuile water van onder wegloopt. Vroeger gebeurde het meest in de Heerengracht.
  • Geschiedde dat vroeger daar ook ’s winters, wanneer het vroor? Zeker, die zaak is een boel verbeterd.
  • Waarom zegt ge zo met nadruk die zaak? Er zijn allerlei zaken natuurlijk, zoo droogden wij vroeger buiten in de open lucht aan de ramen.
  • Is het binnenshuis drogen dan geene verbetering. Voor het gestel is het frisscher in de open lucht. Hebt ge nu last van de warmte en de zwavellucht. Neen, dat niet.
  • Zijt ge op, als ge 12 ½ uur gewerkt hebt? Ik heb ten minste het mijne.
  • Is het strijken een erg zwaar werk? Het is een stevig werk, men behoeft er niet slap voor te zijn.
  • Wordt er ook nog overgewerkt? Neen, dat mag soms een half uur zijn, maar langer nooit.
  • Wordt in andere fabrieken aan hetzelfde werk korter gearbeid? Wel langer, bij den heer Scheltema zelfs tot 12 uur, namelijk de strijkers.
  • En bij de firma Zaalberg? Daar eindigt men altijd vroeger.
  • Geschied uw werk alleen door volwassenen? Ja.
  • Hebt gij altijd hetzelfde werk gedaan? Toen ik aan de fabriek kwam uit den militairen dienst, ben ik in de wasscherij geplaatst, een stevig werk, daarna ben ik aan het wolkammen gezet, ook zwaar werk, dat niet vol te houden was. Toen er machines kwamen werden alle menschen die dat werk deden, ontslagen. Ik echter werd aan het wolwaschen gesteld, en nu strijk ik dekens sedert 18 à 19 jaar.
  • Was uw vroeger werk lichter? Dat was al zoo hetzelfde.
  • Dezelfde werktijd? Ja maar ik verdiende minder.
  • Hoeveel verdienen de wasschers? Dat weet ik niet. Ik verdien in de regel minder, maar ik heb verval van de oude dekens. In den winter niet, maar des zomers gedurende 8 à 10 weken bedraagt het verval ƒ 1 à ƒ 1,25 per week.
  • Dat komt dus bij uw loon? Ja.
  • Staat gij onder een baas? Ja, onder twee bazen.
  • Bestaat er bij u een boetenstelsel? Neen.
  • Ook niet voor slecht werk? Als er werk verknoeid wordt, dan komt dat voor onze eigen rekening. Als een deken niet goed afgemaakt of gescheurd is, dan wordt die ons gelaten tegen inkoopsprijs, en dat bedrag wordt wekelijks ingehouden. Vroeger, toen alles handwerk was, gebeurde dat meer dan thans, nu alles machinaal gaat, en het weefsel veel gelijkmatiger is.
  • Aan wie zet gij dan zulke dekens af? Aan kennissen, het gebeurt ook dikwijls, dat iemand zegt, denk eens om mij als gij een deken hebt waar wat aan mankeert.
  • Gij kunt dus zeker goedkooper verkoopen dan de winkelier? Ja.
  • Verdient gij aan zoo’n deken wel eens wat? Neen, wij maken er in den regel hetzelvde voor wat mijnheer er voor krijgt, doch het gebeurt wel, dat de kooper er een dubbeltje op toegeeft.
  • Als er eens iets is, waarin gij meent verongelijkt te zijn door den baas, kunt gij dan den directeur er over spreken? Jawel wanneer het noodig is, kunnen wij mijnheer altijd spreken. Het kantoor is vlak bij onze werkkamer.
  • Wat doet gij s avonds nog, als gij thuis komt om 8 ¼ uur?
  • Zoowat thuis zitten en met mijne kinderen praten over een een ander. […]
  • Een van uwe meisjes is uit dienen gegaan. Zoudt gij liever gezien hebben dat ook uwe andere meisjes in een dienst waren gegaan, in plaats van op de fabriek te werken? Ja, zeker.
  • En waarom? Omdat de dienstmeisjes er gezonder en beter uitzien dan de fabrieksmeisjes. Hetzelfde geldt voor de jongens ten opzichte van de ambachten. Ik had liever gezien, dat mijne jongens ambachtslieden waren geworden, maar wanneer men niet veel verdient, dan heeft men natuurlijk liever, dat de kinderen ƒ 2,50 op de fabriek verdienen, dan ƒ 0,75 op het ambacht.
  • De reden dus, waarom uwe kinderen op de fabriek werken is alleen de geldquaestie? Alleen de nood.

(Bron foto: Erfgoed Leiden en omstreken, circa 1900, werknemers en msignatuur .)

Brand legt Leidse meubelzaak Poptie in as

Brand. Het is nog altijd een van de ergste nachtmerries die ons kan overkomen. Kijk naar de rampflat in Londen; zie de branden in Portugal. Onze voorouders liepen een groter risico op ongelukken dan wij. In huizen waren vloeren en daken van hout en iedereen werkte met open vuur. Er bestond wel een brandweer, maar soms moest men daar lang op wachten. Ondertussen brandde een pand of werkplaats razendsnel af.

Nicolaas Frans Gerrit Poptie (1862 – 1953) heeft dat geweten. Samen met zijn compagnon Hartwijk heeft hij een magazijn en meubelwerkplaats op de hoek van de Hooglandse Kerksteeg in Leiden. Tot tweemaal toe ontstaat daar brand. Eerst in 1901. Die avond woedt er een hevige storm wanneer het mis gaat op zolder. Gelukkig is het vuur snel geblust en hebben ze de boedel goed verzekerd. Ze zitten vooral met waterschade.

In de zomer van 1912 echter, loopt het finaal uit de hand. Er valt een vonk uit de haard op de krullen waar vlakbij hout ligt te drogen. De aanwezige mannen werpen er gauw emmers water op. Maar binnen de kortste keren is er geen redden meer aan. Ondertussen staan de weesjongens te popelen om met de spuit uit te rukken. Zij wonen nota bene in het weeshuis om de hoek en kunnen het vuur zien. Maar ja, de commandant der brandweer is er niet. Ze moeten op hem wachten. Daar staan ze dan, terwijl mensen in paniek om hulp roepen en de adrenaline door hun lijfjes giert.

Een nieuwsbericht in het Leidsch Dagblad van 3 juli 1912 beschrijft goed wat er gebeurt.

‘Groote brand te Leiden.

Hedenmorgen ongeveer halfacht ontstond er een felle uitslaande brand in het perceel op den hoek van de Hooglandsche Kerksteeg, waarin de heeren Poptie en Hartwijk hun magazijn en werkplaats van meubelen hebben. De brand ontstond doordat een vonk van den haard, waarin vuur brandde voor het drogen van het hout, in de krullen, die in de werkplaats lagen, viel.

De menschen, die er aan het werk waren, deden hun best den brand in den aanvang te stuiten, maar daar was geen denken aan. De vlammen vonden in de aanwezige meubelen en het droge hout zooveel voedsel dat eenige emmers water niets hielpen. Fluks werd iemand naar het Weeshuis op de Hooglandsche Kerkgracht gezonden om de spuit, maar, hoewel de weesjongens van ongeduld popelden, zij moesten wachten op de order, door den commandant der brandweer te geven. Zoo kwam het, dat de spuit met bediening een tien minuten klaar stond zonder water te kunnen geven.

De politie was intusschen met den slangenwagen komen aanrijden en bijgestaan door eenige burgers, gaf deze water, maar intusschen sloegen de vlammen reeds uit alle ramen en lekten tegen de muren van de belendende perceelen en aan die van de overzijde van de nauwe steeg en roosterden deuren en ramen, zoodat de ruiten sprongen.

Toen de brandweer ongeveer tien à vijf minuten vóór achten aanrukte, was het te voorzien, dat er van het perceel zelf en van wat er in was, niets meer behouden kon blijven. Krachtigen waterstralen vielen in de vlammen en wisten deze eindelijk toch te dooven.

De groentenwinkel naastaan in de steeg, de meubelzaak van den heer Raar, het aardappelen­zaakje en het sigarenwinkeltje aan de overzijde, het daarnaast staande pakhuis met boven­woning en zelfs de kosterswoning bij de Hooglandsche Kerk kregen vuur- en waterschade. Tegen negen ure had men echter den brand geheel onder de knie.

De zwart geroosterde hooge muren van het uitgebrande perceel nu niet meer vastgehouden door houten balken, werden gevaarlijk. Gelukkig wist de politie het terrein, dat zich daar trouwens uitnemend toe leende, op uitstekende wijze af te sluiten en de talrijke menigte op een afstand te houden waarna de muren werden neergehaald, wat ook weer enige consternatie verwekte.

Gebouwen, meubelen en de groote partijen hout waren verzekerd, echter niet voor hooge sommen. Het gebouw, tegen ƒ 3000 bij de firma De Jong, te Amsterdam; de inhoud voor ƒ 2500, bij de Utrechtsche Maatschappij. Ook de aangrenzende  en tegenover liggende perceelen waren verzekerd, behalve de inboedel van den bewoner boven het pakhuis, die dit op grond van zijn godsdienstige overtuiging naliet, zooals hij zeide.’

Gelukkig is er niemand gewond geraakt of erger. Voor Nicolaas Frans Gerrit Poptie en zijn compagnon is de brand een enorme domper. Want deze keer zijn ze onderverzekerd. Ze verliezen alle meubels en voorraad én het pand is ingestort. Wel halen ze alle kranten in heel Nederland plus de overzeese gebieden. ‘In tal van jaren is hier ter stede niet een zoo uitgebreide brand voorgekomen.’, schrijft de Maasbode met gevoel voor drama. Wees daar maar blij mee.

Meubelzaak Poptie op de Haarlemmerstraat

Nicolaas geeft niet op en zet zijn zaak zelfstandig voort op de nabijgelegen Oude Rijn. Daarna verhuist hij de winkel naar de Haarlemmerstraat 115. Later neemt zoon Willem Frederik Poptie zijn levenswerk over. Ook kleinzoon Lambertus Johannes Hendrik Poptie zal op dat adres meubels verkopen. Zo houdt de familiezaak na die grote brand nog ruim 45 jaar stand.

Bron krant: https://leiden.courant.nu/issue/LD/1912-07-03/edition/0/page/2?query=

Drie generaties: NFG, WF en LJH Poptie

Bron foto’s: Lieke Poptie.

Zie voor informatie over Nicolaas Frans Gerrit Poptie en zijn nakomelingen het onlangs bijgewerkte document Inleiding Poptie en zijtakken Poptie tot in de 21ste eeuw, vanaf pagina 23.

Wilt u nieuwe familieberichten per e-mail ontvangen? Vul uw adres rechtsboven in en bevestig dit. Ongeveer maandelijks krijgt u daarna een bericht.

De vermissing van Johannes Poptie

Longread – Johannes Poptie, levensverhaal en zoektocht na zijn verdwijning

‘In de negentiende eeuw reisde je overgrootvader uit de Poptie-familie van Leiden via Wassenaar naar Den Haag. Een broer of oom ging mee. Hij wilde op de markt in Den Haag handelswaar verkopen, vermoedelijk lakense stof van wol. Maar hij keerde nooit meer terug.’
Mijn oma Maria Catharina van der Steen vertelde dit korte relaas aan mijn moeder. En zij vertelde het weer aan mij.

Wie weleens keek naar het tv-programma Vermist, weet hoe aangrijpend de verdwijning van een familielid voor achterblijvers is. Deze raadselachtige vermissing liet ook mij niet meer los. Waarom bleef die overgrootvader van mijn moeder weg? Was hij misschien op de terugweg beroofd en vermoord? Zijn vrouw en kinderen kwamen nooit meer te weten wat er was gebeurd. Daarom begon ik honderdvijftig jaar later aan de zoektocht naar mijn voorouders. Alleen archieven konden nog een antwoord bieden. Lees verder

De laatste eer heeft een prijskaartje

Weinig mensen denken graag na over hun dood en uitvaart. Van oudsher had de kerk een belangrijke rol bij een afscheid en lagen de rituelen vast. Tegenwoordig geeft een uitvaart vaker de persoonlijkheid van de overledene weer. Er wordt muziek gedraaid van Metallica of van Bach. Men kan kiezen tussen een crematie of een graf. En desgewenst wordt de overledene per fiets in een rieten mand naar een natuurbegraafplaats gebracht. Slechts een aspect bleef onveranderd: overlijden is een dure aangelegenheid.

In Vroege contacten Van Veen en Bredewold schreef ik over Helena Lugtel, die getrouwd was met Willem Dieben. Haar zus Josina Lugtel verliest haar echtgenoot Hendrik Thijssen in 1775. Deze man was eigenaar van twee blekerijen (wasserijen) buiten de Koepoort in Leiden. Hij laat zoon Lambert uit een eerder huwelijk na, plus zijn weduwe Josina en hun zoon Willebrordus.

Nu moet de boedel worden verdeeld. Daarom stelt notaris Kleijnenbergh in 1776 een staat van bezittingen en schulden op (akte 31). Zo wordt duidelijk welk bedrag de middenklasse aan een uitvaart besteedde. Een eervol afscheid vond men zeer belangrijk en dat mocht wat kosten.

Vroeger moesten de naasten hun buren erbij roepen wanneer het stervensuur aanbrak. Die konden dan getuigen van een natuurlijke dood. Vervolgens hielpen de buren met praktische zaken. Afhankelijk van het geslacht van de overledene legde een buurman of –vrouw het lijk af. Ook droegen de twee naaste buren de kist uit het sterfhuis, waar de overledene verplicht lag opgebaard. Volgens een stadskeur mocht men bij die handeling geen sterke drank nuttigen …

Het echtpaar was katholiek en voor Hendrik wordt een kerkdienst gehouden. De diensten van de kerk vormen met ƒ 48 de grootste kostenpost. Ook de ‘med. Doctor’ en de ‘apothecar’ sturen hun facturen, dus is Hendrik vermoedelijk in het ziekbed gestorven. De overledene krijgt nieuwe kleding en schoenen aan en wordt in een dure eikenhouten kist opgebaard.

Bij de begrafenis drinken de gasten ter versterking bier, jenever en brandewijn. Ze nuttigen daarbij koekjes, brood en kaas; zo valt uit de rekeningen op te maken. En de mannen krijgen tabak om een pijpje te roken. Wanneer alles achter de rug is, zijn de erfgenamen ƒ 167 armer. Ter vergelijking: voor die som moest een ambachtsman maar liefst dertig weken arbeiden.

Schulden en lasten des boedels
Ende eerst de doodschulden en begrafenis kosten

  • Betaald aan de briefjes van ’t gemeenelands regt op het begraven X ƒ 13,-
  • Aan de dienaars ter begrafenisfe voor desselver adsistentien betaald ƒ 15.8
  • Aan kerkdiensten &e betaald ƒ 48.18
  • Aan bier op de begrafenis gebruijkt met den exsijns x betaald ƒ 8.16
  • Aan de wede Gijsbert Waller en zoon over leverantie van tabak en peijpen ƒ 1.13
  • Aan koekjes en brood op de begrafenis geconsumeert ƒ 6.14
  • Aan Jan Gerson over leverantie van kaas als mede over huer van kannen en glasen
    betaald ƒ 13.8
  • Aan jenever en brandewijn betaald ƒ 1.9
  • Nicolaas Goijen apothecar komt over geleverde medicamenten ƒ 7.2.8
  • Joseph Lennars Mr. timmerman komt voor het maken van 1 ½ duijm eijke doodkist met de schroeven en platen ƒ 21.15
  • Anthony Jacobs komt over leverantie van Calemonk en cits ƒ 11.15
  • De heer Johannes Andreas Wilmers med. Doctor komt over gedane visites ƒ -.12
  • Aan de Dragers van ’t lijk vereert ƒ 2.10
  • Paulus van Hoorn komt over leverantie van een rouwparuijk ƒ 6.-
  • Pieter van Bremenbergh Mr. schoenmaker komt over leverantie van schoenen &a ƒ 5.14
  • Voor ’t aannemen der voogdije ter weeskamer en exped. aan de kamer­bewaarder
    betaald ƒ 2.11.8
  • Somma van de doodschulden en begrafeniskosten bedragen ƒ167.6.-.

Bron gebruiken: Buurthouden. De geschiedenis van burengebruiken en buurtorganisaties in Leiden (14e – 19e eeuw), Kees Walle, Uitgeverij Ginkgo, Leiden, 2005.

Bron afbeelding: Erfgoed Leiden en Omstreken, aquarel J.E. Kikkert, eind 19de eeuw, zicht op de achtergevels en velden van een blekerij aan de Hoge Rijndijk/hoek Zoeterwoudse Singel, signatuur .

Met de VOC naar Batavia

In De trouwlustige Dominicus zien we in 1771 een man naar Batavia vertrekken. Dat is het huidige Jakarta op Java in Indonesië. De VOC trok een bonte groep mensen aan uit heel Noord-Europa. Daar zaten avonturiers tussen en mensen die in Azië een fortuin hoopten te vergaren. De lakenindustrie in Leiden verdiende eveneens aan de VOC. Zij leverde vanaf 1742 jaarlijks stoffen voor Chinese soldatenjassen ter waarde van ƒ 70.000.

De meeste schepelingen waren echter arm. Sommigen waren op de vlucht voor schuldeisers of een onhoudbare thuissituatie. Zij kozen voor een onzekere toekomst in een onbekend land en hoopten op een behouden vaart. Twee derde van alle opvarenden in dienst van de VOC keerde niet terug. Een flink deel overleed, maar anderen bouwden in Azië een nieuw bestaan op. Mijn Leidse voorouders namen bij het vertrek van verwanten soms voorgoed afscheid.

Els Jacobs beschrijft op boeiende wijze het dagelijkse leven aan boord van schepen en in het Verre Oosten. Zie haar boek De Vereenigde Oost-Indische Compagnie. Bij de VOC tekende men voor een dienstverband van minimaal drie jaar. Dat was nog exclusief de maandenlange reis van en naar Azië. De gage was laag, maar een werknemer had wel voor jaren vast werk. Ook kreeg hij kost en inwoning. Ondertekende hij een maandbrief, dan werd regelmatig een deel van zijn gage aan familie in Holland uitbetaald. Bij overlijden dienden verwanten verzoekschriften in om het restant te ontvangen.

Mijn Leidse verwanten waren zeer honkvast. Toch besluiten enkele mannen om met de VOC naar Azië te vertrekken. Waaronder Steven Brakel in 1744, die in Batavia belandt. Hij tekent zowel een maandbrief als een schuldbrief. Zijn achtergebleven vrouw Niesje Crispijn leeft in 1752 in bittere armoede en probeert waarschijnlijk geld los te krijgen van de VOC. Haar schoonmoeder en een andere vrouw leggen dan een verklaring af over haar goede gedrag. De reden wordt iets duidelijker wanneer we kijken naar de gegevens die de heren van de VOC bewaren. Zij weten niet beter dan dat Steven getrouwd is met Maria Ridda, een andere vrouw.

Civiele Zaken RA 86 nr 142. Pro Deo.
Compareerden voor de ondergetekende Heeren Scheepenen Man. den Stadt Leiden, Jacomijntie van Oordigem, wedue van Mozes Brakel en Neeltje van de Velde, Huijsvrouw van Dirk van Egmond, wonende binnen deze stadt; dewelke verklaarden ten verzoeke van Niesje Crispijn, waar en waaragtig te weezen, dat de requirante is de wettige Huysvrouw van Steeven Brakel, die in den jaare 1744 voor soldaat, met ‘t schip Saamslag van de Kamer van Amsterdam, naar Oostindiën is gevaaren. Dat de Requirante een kind bij de voornoemde haar man verwekt in leeven is hebbende, en dat zij haar (voorzoo veel haar deposanten bekent is) als een eerlijke vrouw betaamt, is gedragende, en op een zeer sobere wijze met haaren handen arbeijd aan de kost kan koomen.
Gevende zij deporanten voorredenen van wetenschap, dat zij de Requirante, haare voornoemde man en kind zeer wel fijn kennende en voort als in den toft. Zowaar LXa Actundis 20-12-1752.
Getekend: Jacob Pla en G. Tedingh van Berkhout.

De trouwlustige Dominicus

Mijn voormoeder Anna van der Plaat komt uit een gezin waarin zeker tien kinderen werden geboren. Als zij 19 jaar is, komt in 1720 haar jongste broertje Dominicus  in Leiden ter wereld.
Zij hebben als volwassenen een goede band met elkaar. Anna trouwt in 1721 met Johannes Buijs en vertrekt uit huis. Dominicus groeit op en wordt lakenwever. Hij zal maar liefst vier keer trouwen.

Hoewel? Bijna. Eerst trouwt hij in 1745 met Judith Kerkhooven. Het jonge paar krijgt minimaal vijf nakomelingen, waaronder een tweeling. Maar zoals dat gaat in hun tijd: Judith overlijdt, evenals vier van de vijf kinderen. In 1752 doet Dominicus een nieuwe poging. Hij hertrouwt met Pieternella van der Laars, die zelf weduwe is. Zij heeft evenmin het eeuwige leven. Twaalf jaar later trouwt Dominicus voor de derde maal. Nu met Alida Stavleu, wederom een weduwe. Het is onbekend of er uit deze laatste verbintenissen kinderen worden geboren. Maar ook Alida overlijdt en Dominicus staat er alweer alleen voor. Terwijl hij toch wel graag zijn leven deelt met een vrouw.

Gelukkig kent hij Jacoba Fijs, een weduwe met vier kinderen bij hem in de Oosthavenstraat. Met haar wil hij best weer in het huwelijksbootje stappen. Dus gaan ze op 14 juli 1770 naar de kerk voor de ondertrouw. Zij moet alleen nog de overlijdensakte van haar vorige man overleggen. Tja, dan komt de aap uit de mouw. Want ze is pas vijf maanden weduwe. Ze kan wel zwanger zijn van haar overleden echtgenoot. Het laatste wat de hoge heren commissarissen willen, is onduidelijkheid over de afstamming van een ongeboren kind. Dus wordt er voorlopig niet getrouwd.

dominicus-van-der-plaatZwanger was ze inderdaad. Op 20 maart 1771 laten Dominicus en Jacoba het jongentje Arie van der Plaat dopen in de Pieterskerk. Was dat om haar eer te redden? Ik heb geen huwelijk meer gevonden.

Slechts twee weken daarna gaat de bijna 51 jaar oude Dominicus in dienst als soldaat bij de VOC kamer Delft. Hij tekent een schuldbrief zodat hij alvast contant geld in handen krijgt. Vervolgens vertrekt Dominicus met het schip Vreeburg op weg naar Batavia. Na een stop bij Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika komt hij daar op 26 oktober 1771 aan. Een half jaar later, op 13 maart 1772 is hij in Azië overleden. Dan is hij degene die een weduwe eenzaam (en bedroefd?) achterlaat.