Categorie archief: van Veen

Wat ze deden voor de kost

Hout, verf, staal en elektriciteitskabels. Daarmee werkten mijn vader en ooms om de kost te verdienen. Hun beroepen getuigen van technisch inzicht en een praktische instelling. Als kinderen van hun tijd hadden mijn tantes vooral zorgtaken. Dat vertelt ons minder dan de beroepskeuzes van de mannen. Zou er een verband zijn met de keuzes die hun voorvaders maakten?

Opa Leonardus van Veen op de motor van oom Ton Bredewold

Opa Leonardus van Veen op de motor van oom Ton Bredewold

Opa Leonardus van Veen werkt met voertuigen en staal. Zo is hij smid, rijwielreparateur en stallinghouder bij station Hollands Spoor in Den Haag. Daarna wordt hij mestschipper, fietsenmaker en stoomwalsmachinist. Nog later is hij onderhoudsmonteur in de remise van de Blauwe Tram. En thuis bouwt hij roeiboten. Die man kon kennelijk met elk vervoermiddel overweg. Hij maakt ook tollen en hoepels voor zijn kinderen en verbouwt zelf groenten.

Zijn vader, weer een Leonardus, is arbeider en melkverkoper. Hij doet ongeschoold werk. Diens vader Anthonie van Veen stierf al toen hij nog een baby was. Anders had hij vast beter werk gehad. Want Anthonie was logement en stalhouder, én meester wagenmaker. Hij laat als rijtuigen een ‘vigilant’, een speelwagen, een ‘tilberie’ (tilbury) en een wagentje na. Kijk, daar hebben we de techniek en de voertuigen weer.

Nog een generatie verder stuiten we op Adrianus van Veen. Adrianus is lakenwerker, portier van de Koepoort in Delft, brandersknecht (jenever) en wolwasser. Tijdens zijn leven gaat het in Holland economisch slecht. Daarom pakt hij alles aan om zijn brood te verdienen. Juist met brood bakken schopt één van zijn zoons het ver. Die wordt, omgerekend naar huidige bedragen, miljonair.

Tot besluit is daar Jacobus van Veen, die met Catharina van Toulon in Voorburg woont. Hij is van beroep (zand)schipper en koetsier. Zo komen we opnieuw uit bij vervoermiddelen en kennis van techniek. Want als er onderweg iets kapot gaat, moet hij het kunnen repareren. Blijkbaar hebben mijn vader en ooms hun handigheid en technische inzicht niet van vreemden.

Catharina van Toulon

Sommige voorouders spreken zeer tot de verbeelding. Voor mij is Catharina van Toulon zo iemand. Als telg uit een voornaam protestants geslacht in Dordrecht trouwt zij in 1762 met Jacobus van Veen. Haar vader is ‘ontvanger van de convooien en licenten’, ofwel belastingontvanger. Opa Van Toulon is ‘commis ter recherche bij de Admiraliteit op de Maas te Rotterdam’. Bovendien zijn haar opa van moederszijde en oom van vaderszijde beiden predikant. Jacobus van Veen is echter katholiek. Binnen haar protestantse familie met godsdienaren moet die keuze voor hem streng zijn veroordeeld.

Catharina’s vader overleed toen zij tien jaar was. Kort na haar 25ste begint zij aan ‘een jaar belijdenis van de Roomsche Religie’. Zij is dan oud genoeg om zonder toestemming van haar moeder of voogd te trouwen. Na afloop van dat jaar staat niets het huwelijk met Jacobus nog in de weg. Maar Catharina tekent kennelijk voor verstoting door haar bloedverwanten.

Huwelijk Jacobus van Veen en Catharina van Toulon 1762

Jacobus van Veen en Catharina van Toulon, Delft 1762

Ik neem aan dat zij behoorlijk eigenzinnig was. Toch weet ik vrijwel niets over haar. Bij genealogisch onderzoek vind je soms informatie waardoor je je een bepaalde voorstelling van iemand maakt. Ontdek je daarna gegevens die in een andere richting wijzen, dan blijk je er toch naast te zitten. Dat is mij herhaaldelijk overkomen.

Regelmatig ontmoet ik mensen die over hun leven vertellen. Stel dat ik Jacobus en Catharina zou kunnen spreken, dan zou ik ze het hemd van het lijf vragen.

Want hoe en waar hebben jullie elkaar ontmoet? Hoe verliep jullie verkeringstijd en wat vonden jullie aantrekkelijk aan elkaar? Hoe reageerden jullie vrienden en verwanten? En toen jullie op het matje werden geroepen door geloofsgenoten, hoe reageerden jullie daarop? Vonden jullie steun bij elkaar?

Catharina, hoe is het laatste contact met jouw familie verlopen? Ben je ooit nog in Dordrecht terug geweest? En waar woonden jullie precies in Voorburg? Bij de doop van al jullie kinderen zijn steeds twee familieleden van Jacobus aanwezig. Welke rol hebben die twee in jullie verdere leven gespeeld?

Jullie leefden rond 1800 in een woelige politieke periode en maakten de economische teruggang mee. Wat waren de gevolgen daarvan op jullie persoonlijke situatie? En welke invloed hebben jullie levenservaringen op de opvoeding van de kinderen gehad?

Toen jullie aan het eind van jullie leven kwamen: hoe keken jullie daar op terug? Waar waren jullie trots op en blij mee? En wat zouden jullie anders hebben gedaan?

Vroege contacten Van Veen en Bredewold

Wanneer mijn ouders eind jaren vijftig trouwen, komen de families Van Veen en Bredewold samen. De ene familie woont op het platteland, de andere in de stad. Zij zijn verschillend, maar delen wel hetzelfde geloof. In de jaren vijftig trekken katholieken met katholieken op. Protestantse kinderen gaan naar hun eigen dansschool. Niemand op het trouwfeest van mijn ouders beseft dat de families al twee eeuwen verwant zijn aan elkaar.

Dat zit zo. De oma van mijn opa Leonardus van Veen heet Hendrina Dieben. Zij was de vrouw van Anthonie van Veen. Haar opa en oma zijn Willem Dieben en Helena Lugtel. De ouders van Helena heten Gerrit Lugtel en Pieternella Baten.

Gerrit Lugtel is de eerste man van Pieternella Baten. Als weduwe neemt zij waarschijnlijk de bedrijfsleiding van zijn blekerij aan de Maredijk ‘onder Leiden’ over. Een bleker wast onder meer lakens en laat die op grasvelden in de zon drogen. Daarna trouwt Pieternella in 1745 met de circa vijftien jaar jongere Godefridus Smits, misschien een werknemer. Ze overlijdt binnen een half jaar.

Aan de Bredewold-kant komen we bij Godefridus Smits via mijn overgrootouders Hendrikus J.A. Bredewold en Theresia W. Reinke. Haar moeder is Maria Theresia Huybers. En Maria’s moeder heet Wilhelmina Berendonk. Wilhelmina is de dochter van Catharina Smits en Catharina is, jawel, de dochter van Godefruin/Godefridus Smits.

Kijken we naar de huwelijken, dan zien we hoezeer blekersfamilies in Leiden zijn verstrengeld. Zij komen uit het zuiden (Limburg en over de grens in Duitsland). De meesten wonen bij de bleekvelden net buiten de stad én ze zijn katholiek. Bovendien trouwen twee zusjes Lugtel met twee broers Kuijper. Kortom, het is een hecht gezelschap.

Nog altijd zit er trouwens een wasserij Dieben op de Zoeterwoudsesingel in Leiden, vlak bij waar de Koepoort stond.