Tagarchief: wegenbouw

Stoomwalsmachinist bij de Hollandsche Beton Mij

Leonardus van Veen bij stoomwals

Opa Van Veen bij zijn stoomwals

Mijn opa en oma (Leonardus van Veen en Cornelia Kortekaas) zwerven tussen 1928 en 1934 met hun kinderen door Nederland. Zij leven in die jaren in een woonwagen. Opa Van Veen werkt namelijk op een stoomwals aan de asfaltering van wegen tot 1948. De wals is een Aveling & Porter met een steigerend paard in het embleem. Met het negende kind in aantocht, keren ze terug naar een gewoon huis. Want het gezin past niet meer in de wagen.

Als ze de woonwagen naar een standplaats verrijden, ketent opa alles aan elkaar vast. Voorop gaat de stoomwals en die trekt de woonwagen. Daaraan wordt de watertank op wielen vastgemaakt en die sleept nog een ploeg mee. Het is een hele keten. Als ze een dorp binnenrijden, trekken ze direct bekijks. Dan ontstaat er een sfeer van ‘moeder, haal gauw de was binnen’. ‘Alsof zij kermisvolk waren.’, vertelt mijn tante. Vaak hadden de mensen wel gehoord dat er wegwerkzaamheden zouden plaatsvinden. Zodra de lokale inwoners zagen dat het goed volk was, was er niets meer aan de hand.

Oma is niet altijd blij om steeds te verhuizen. Soms komen ze pas ’s avonds aan en moeten ze nog alles opzetten en installeren. In elk geval hoeven ze geen huur te betalen of kolen te kopen. Oma kookt op de briketten die voor de wals worden gebruikt. Het fornuis staat in de houten woonwagen. Dat is gelijk de enige bron van warmte daarbinnen.

Behalve mijn opa, die een vast dienstverband heeft, komen de meewerkende losse arbeiders uit de dorpen zelf. Zeker in de crisisjaren staan er al gauw mannen bij de weg. Die vragen hem dan: ‘Machinist, kunnen we hier werk krijgen?’ De mensen zijn blij met elk klusje.

Mijn oudste tante heeft vanaf haar kleutertijd op maar liefst 23 scholen gezeten. Vanwege de schoolgaande kinderen probeert opa vanaf de woonwagen op de fiets naar zijn werk te rijden. Maar het liefst staat hij dicht bij de plaats van werkzaamheden. Hij moet heel vroeg opstaan om de wals op te stoken. Want er moet stoom zijn zodra het werk begint. Opa werkt van vijf uur ’s morgens de hele dag en ’s avonds moet de wals afkoelen. Maar niet te veel, want anders duurt het opwarmen de volgende dag weer te lang. Hij krijgt ƒ 2,50 extra loon voor het onderhoud aan de wals op zaterdag.

Deze week vroeg ik nog aan mijn vader hoe die mensen dat toch volhielden. Volgens hem hadden ze toen nog geen last van stress.

Opa en oma waren wel in voor een geintje. Als ze een ergens aankwamen, maakten ze de wagen eerst stabiel met houtblokken. Anders liep de klok niet. Dan volgde er een houten trapje bij de deur. Op een gegeven moment klom het ene na het andere kind de wagen in. Er kwam net ‘een boertje’ aanlopen. Bij het laatste kind vroeg opa: ‘Zijn ze nu alle 22 binnen?’ ‘Ja hoor’, kwam dan het antwoord vanuit de wagen. Het boertje zag alles met grote verbazing aan. Later kwam hij weer terug om te vragen of er echt 23 mensen in die woonwagen pasten. De ‘alle-22-act’ hebben ze in diverse plaatsen opgevoerd.

Opa heeft de weg van ’s-Hertogenbosch tot Grave ‘gedraaid’, ofwel geasfalteerd. Evenals de Rijksstraatweg bij Wassenaar en de weg langs paleis Soestdijk naar Amersfoort. Het gezin verbleef met de woonwagen onder andere in Schaijk, Deurne, Helenaveen in De Peel, de Zeilberg, Bergeijk, Sint Oedenrode, Oss, Uden, Udenhout, Heesch, Schijndel, Berkel-Enschot, Valkenswaard, Vorden, Soesterberg en Baarn.

In het boekje ‘Stoomwalsen’ van R. Gebhard staan walsen uit die tijd. Het bevat foto’s en informatie over het leven van machinisten en hun in woonwagens rondtrekkende gezinnen tot circa 1960.