J.A. Schmeink, een Arnhemse instrumentmaker

Een van de zeldzaamste beroepen in mijn familie is dat van (medisch) instrumentmaker. Voorvader Johannes Antonius (Antoon) Schmeink heeft wat dat betreft zijn naam mee. Schmeink is namelijk een verbastering van smid en hij begint in Arnhem als messenmaker (1817). Via akten uit de Burgerlijke Stand kunnen we Antoons carrière mooi volgen. In 1821 is hij meester messenmaker en in 1838 messen- én instrumentmaker. Tussen 1848-1866 verricht hij alleen nog specialistisch werk als instrumentenmaker.

Antoon is geen geboren Arnhemmer. Hij komt rond 1788 ter wereld in Anholt (Pruisen), waar ook zijn vrouw Aleida Vink is geboren. Vermoedelijk trouwen ze daar voordat ze zonder naaste verwanten naar Arnhem verhuizen. Tussen 1817 en 1838 krijgt het echtpaar in die stad tien kinderen, waarvan er ‘slechts’ een jong overlijdt. Ze wonen eerst in de Oeverstraat en vanaf 1819 in de Broerestraat.

Het is enigszins onzeker wat voor soort instrumenten Antoon maakt. Gezien het beroep dat een zoon later zal kiezen, zoek ik het in de medische hoek. Al in 1833 komt Wessel Knoops, een 33-jarige ‘apothecar’, voor een geboorte-aangifte mee naar het stadhuis. En in 1863 is apotheker Fredrik Willem Gerritsen getuige voor de overlijdensaangifte van een dochter. Kennelijk onderhoudt Antoon goede contacten met mensen in deze beroepsgroep.

Uit de huwelijksakten van de zonen blijkt dat zij vergelijkbare beroepen kiezen. De oudste, Johan Joseph, is in 1842 instrumentmaker. Dat beroep oefent de tweede zoon Joannes Josephus (!) in 1848 ook uit. Het eerstvolgende trouwfeest is van Wilhelm, die als koperslager werkt. Alleen zoon Franciscus wijkt een beetje af als banketbakker. In 1853 overlijdt oudste zoon Johan Joseph op een leeftijd van 36 jaar. Hij woont dan in Den Bosch en is ‘chirurgale instrumentmaker’. En zoon Johannes Antonius ten slotte, erft het ouderlijk ‘huis en erf in de Broerestraat te Arnhem met alles wat tot de daarin gedreven wordende affaire behoort.’

Het Leidse museum Boerhaave bewaart een collectie instrumenten van A. & B. Schmeink, medisch instrumentmakers uit Amsterdam (1878-1910). Dit zijn verwanten. Bovendien bezit het museum oudere instrumenten van A. Schmeink (1878) én tandartsgereedschap van J. Schmeink (1845-1878), beiden uit Arnhem. Dat zijn werkstukken van twee zonen. Ook heeft een kleinkind in Rotterdam de beroepslijn via de oudste zoon voortgezet.

De familie Schmeink telde echte vaklieden. En ongetwijfeld produceerden zij hun instrumenten in goed overleg met medici. Een instrumentmaker moet beschikken over meerdere kwaliteiten. Namelijk: analytisch en conceptueel denkvermogen, innovatief, doorzettingsvermogen, omgaan met details en meetvaardigheid. Ik beeld mij graag in dat ik dergelijke kwaliteiten via dochter Johanna Elisabeth Cecilia Schmeink heb gekregen. Want zij is mijn betovergrootmoeder.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.